Wij hadden de klok, zij hadden de tijd.
Op 30 juni 1960 werd de laatste bladzijde van Belgisch Congo omgeslagen.
Duizenden Belgen verlieten, vaak ongewild, het land waar ze jaren gewerkt en geleefd hadden.
Sommigen onder hen hebben nooit afscheid genomen van die periode. Ook veel CRM-leden hebben een deel van hun leven doorgebracht op Afrikaanse grond.
Start 60 ging op zoek naar persoonlijke getuigenissen uit ‘de brousse’.Jos Bastiaensen had twee kinderdromen: gaan varen en Afrika ontdekken. Na zijn opleiding werkte hij een tijdje in de zaak van zijn vader, maar de vrijgevochten Jos besloot algauw dat Congo zijn bestemming was. Kersverse echtgenote Mitje kon zich volledig vinden in de plannen van haar man en in september 1951 verlieten ze Belgische grond om een nieuw leven op te starten in de kolonie. Jos ging werken voor de Bangala Cultuur Maatschappij, een onderneming met plantages voor de ontginning van rubber, koffie en cacao. De onderneming beschikte over tien posten in de Evenaarsprovincie. Samen met één blanke collega stond Jos in voor de opbouw van huizen en fabrieken, de installatie en het onderhoud van machines, schrijnwerkerij en meubelmakerij. ‘Bij aankomst moesten we ons zo snel mogelijk naar één van de posten begeven. Mitje ging vol moed naar de supermarkt om wat reisproviand te kopen, maar ze kwam van een kale reis terug. Gedroogd vlees, rotte aardappelen en wat bloem; daarmee moesten we het doen. Ons nieuw onderkomen had elektriciteit noch stromend water. Daar zaten we dan, met één petroleumlamp en een heleboel ongedierte.’ Mitje en Jos bleven niet bij de pakken zitten en gingen aan de slag. Samen met het gezin van Jos’ collega reisden ze van post naar post.
Mitje: ‘De Maatschappij voorzag ons van katoen en breipriemen en daarmee startte ik breilessen voor de Congolese vrouwen. We waren ook de enigen in de nabije buurt die beschikten over een grote EHBO-kist. Binnen de kortste keren stond men iedere dag op de barza aan te schuiven met allerlei kleine ongemakken. Op den duur werd ik verpleegster van het dorp, want dokters waren soms ver te zoeken. We hadden drie bedienden, een kok, een boy lavadère (voor de was) en een boy maison. Deze laatste was in principe de enige die het huis betrad. Hij was verantwoordelijk voor de activiteiten en daden van zijn twee collega’s. Want, het moet gezegd, de boys steelden vaak. We hebben ooit iemand moeten ontslaan die met grote pakken koffie aan de haal ging. Zijn vrouw verkocht geroosterde rupsen op de markt en daar werd een kopje koffie bij geschonken. Haar echtgenoot vond het maar normaal dat hij ongevraagd van onze voorraad gebruikte. Het begrip ‘bezit’ had andere betekenissen in Afrika. Bij feestelijkheden kregen we vaak fruit en bloemen aangeboden. Dat daarvoor onze eigen tuin net voordien leeggeplukt was, namen we er graag bij. Met de meeste bedienden hadden we een goede relatie. Negen jaar lang hadden we dezelfde kok. Door zijn losse handen was hij uit een missiepost gegooid. We hebben hem aangeworven op de luchthaven waar hij op zoek was naar werk. ‘s Anderendaags vonden we de beste Vlaamse ‘pateekes’ op de tafel.’ Samenwerken met de zwarten was niet altijd even gemakkelijk.
Jos : ‘Je moest afgelijnde taken geven met een welbepaalde tijdslimiet. Zonder duidelijke richtlijnen werd er weinig werk verzet. Wij hadden de klok, maar zij hadden de tijd… Soms durfde ik me wel eens boos maken op de arbeiders. Respect moest je echter op een andere manier verdienen. Ik werkte graag met de zwarten en sprak met hen in hun eigen taal. Onze arbeiders verdienden weinig geld, maar ze kregen een gemeubeld huisje, werkkledij en iedere week voedsel voor de kinderen. Geld werd in de brousse meestal gebruikt om drank te kopen.’ Mitje : ‘We hadden weinig blanke vrienden in Congo. Jos had zijn ene collega waar hij nauw mee samenwerkte. Voor de rest kwamen we nauwelijks in contact met andere blanken. Paters waren er genoeg, en die kwamen altijd graag eten… Soms werden we uitgenodigd op feestjes van het gewest. Op één van die feestjes is de collega van Jos op de vuist gegaan met een Waalse gewestagent. Hij had diens echtgenote uitgenodigd voor een dans en kreeg van de agent het antwoord dat zijn vrouw niet met Vlamingen danste. Die agent heeft het feestje toen verlaten in horizontale houding via het raam. Ach, zulke dingen gebeurden wel eens in de brousse. Met de Walen was de relatie niet altijd even gestroomlijnd. Het was overduidelijk dat Vlamingen vaak minder toegankelijke streken toegewezen kregen.’ Jos : ‘We waren op onszelf aangewezen in de brousse en hadden meer contacten met de zwarten dan met andere kolonialen. Om na het werk wat te ontspannen, hadden we een voetbalploeg opgericht. Met de vrije dagen gingen we dan voetballen in nabijgelegen dorpen. Dat kon soms heel spannend zijn. De regel was namelijk dat je nooit mocht gaan winnen op verplaatsing als je leven je lief was. Winnen ‘op een ander’ dat deed je gewoon niet. Zo zijn we toch enkele keren vlak na de match moeten vluchten met onze vrachtwagens. Niemand verliest graag…’
Mitje en Jos hebben de onafhankelijkheid meegevierd in de overtuiging dat ze konden blijven werken en leven in Congo. Zij hoefden ook niets te vrezen, want hun relatie met de inlanders was altijd opperbest geweest.
Jos : ‘In de Evenaarsprovincie werkte iemand die vòòr 30 juni 1960 overgeplaatst werd omdat hij de zwarten als beesten behandelde. Men was bang voor represailles bij de onafhankelijkheid en terecht, want hij heeft zich niet kunnen verstoppen en is vermoord. Zulke dingen zijn natuurlijk minder fraai om na te vertellen.’ Ondanks hun goede relaties met de dorpelingen, zijn Jos en Mitje moeten vertrekken. Ze zijn nooit fysiek bedreigd, maar na de onafhankelijkheid begonnen structuren uit elkaar te vallen en voor de kinderen was in de wijde omgeving geen school meer te vinden. Gedurende 10 jaar hebben Jos en Mitje de beste tijd van hun leven beleefd. Ze waren jong en konden alles aan. Altijd waren er nieuwe uitdagingen die ze met beide handen aanpakten. Ze wilden samen oud worden in Congo. Jos : ‘Soms deed het pijn om lief en leed niet te kunnen delen met familie. Om de afstand wat te overbruggen, stuurden we veel foto’s van ons en de kinderen naar Beerse. De zes maanden ‘moederlandsverlof’ weegden echter zeer zwaar. Het was goed om de naasten opnieuw te zien, maar na een tijdje voelden we ons ontheemd en sloeg de verveling toe. We waren gewoon van ‘s morgens tot ‘s avonds in de weer te zijn en hier zaten we maar wat te niksen… Bij onze terugkeer naar Beerse hebben een huis gebouwd volgens de wetten van de Congo : geen kelder, geen zolder en een kleine barza of veranda vooraan het huis. Samen hebben we een benzinstation opgestart en ik gaf automechanika in de avondschool. We hebben echter nooit écht afscheid genomen van de brousse. Het was ons leven, onze toekomst,…Die tijd in Congo kan niemand ons afnemen. Gelukkig hebben we elkaar nog om de herinneringen levend te houden.














About Us