www.congo-1960.be

Network: | groep facebook congo-1960 |sponsors congo-1960 |Agenda
Getuigenissen bezoekers | Getuigenissen 25 erna | Teksten ingezonden voor de wedstrijd | Mijn verhaal | 1964 Stanleyville |Kolwezi 1978 | Oral History
Intro Cultuur | Organisatie reizen | Tentoonstellingen | Recepten | Filmen |
Wedstrijdreglement 2012 | Vorige deelnemers wedstrijden |
Intro Documenten | Thesis Jean Schramme
Intro boeken | Catalogus Black Label | Boeken na de colonie | Boeken geschreven door colon | Diverse boeken | Nieuwe boeken
Léopoldville | Kasai | Kivu | Ruanda Urundi | Katanga | Evenaar | Orientale | |
U heeft geschreven |
Nieuwsbrieven
Photos Foto's | Vidéos | Partagez votre album avec le blog de congo-1960 | Les photos sur le groupe fan de congo-1960 (facebook) |
| OTRACO
Diverse Berichten |
Stuur je getuigenis of foto's naar congo-1960.be en win een boek.

Een brouwerij opstarten in Stanleyville

Begin jaren ’40 doceerde de jonge doctor André Flour enkele uren aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte in Leuven. Hij betaalde een lening af die hij had moeten aangaan om te kunnen studeren. Zijn loon was nauwelijks voldoende voor die afbetaling, laat staan voor het onderhoud van zijn jonge gezin. Om bij te verdienen, werd hij studieprefect in het Sportkot. Sporten en goede studieresultaten gingen meestal niet samen in Leuven, maar André was een sportieve studieprefect die het tegendeel kon bewijzen.

Na de dipenda tot in 1975 in Congo gebleven

André: ‘Eén van de studenten introduceerde me bij zijn vader die een brouwerij had opgestart in Congo en een tijdelijke vervanging zocht van zijn privé-secretaris. Ik had net drie maanden vakantie voor me, de keuze was snel gemaakt… Om een beter zicht te krijgen op de werking van het bedrijf werd ik uitgenodigd door de grote baas in Kinshasa. Ik vertrok in ’48, zonder vrouw en kinderen, in de overtuiging dat ik snel terug in België zou zijn. Ongeveer gelijktijdig moest een zieke medewerker gerepatrieerd worden naar België. Voor de tweede keer werd ik vervanger en drie maanden werden 28 jaren… Ik werd verantwoordelijke voor de ‘main d’oeuvre indigène’, de 4000 inlandse werkkrachten van de brouwerij. Op mijn eerste officiële werkdag vond ik in mijn kantoor een man in uniform met een indrukwekkend grote kepie op het hoofd. In een kring rond het bureau zat een groep arbeiders op de knieën. De man met de grote kepie riep iedere arbeider één voor één bij zich en gaf meestal een ferme mep alvorens de arbeider uit te horen over wat hij mispeuterd had. Dan bleek dat de beschuldigde materiaal of bier uit de brouwerij had gestolen en naar de gevangenis moest. Ik was compleet onder de indruk van dit gebeuren en begreep pas later hoe ‘fijn’ de structuur in elkaar zat: wanneer de beschuldigden in de gevangenis arriveerden, werd er gebeld vanuit de brouwerij. De beste arbeiders moesten terugkeren en gratis werken in gevangenisplunje. Deze gang van zaken was volledig in overeenstemming met het Congolese gewoonterecht (le droit coutumier) dat niet zo zachtaardig omsprong met dieven.

Gedurende mijn eerste maanden in Congo kreeg ik een boy toegewezen. Nadien kwam er ook een jongere moké bij me werken. ‘Leeftijd’ was een abstract begrip bij de inlanders en het onderscheid tussen een boy en een moké werd op een ‘originele’ manier bepaald: een boy had okselhaar en verdiende 28 Bfr. per dag, een moké had geen okselhaar én verdiende slechts de helft. De moké mocht dan ook geen zwaar werk verrichten. Ik was altijd zeer geïnteresseerd geweest in de verschillende culturen en landstalen en probeerde me telkens aan te passen aan mijn omgeving. Het land was zo groots en intrigerend dat ik besloot er te blijven. Met Pasen ’49 kwam mijn familie over naar Congo. We verhuisden naar een groter huis en engageerden een ‘boy maison’. Financieel ging het ons voor de wind en binnen de kortste keren was mijn studielening afbetaald. We hadden een goede relatie met onze bedienden, maar de armoede in de steden was van dien aard dat men moeilijk kon weerstaan aan een gemakkelijke diefstal. Op het moment dat we gemoedelijker omgingen met een bediende, Wanneer een boy voedsel of kleren stal, verloor hij ook zijn werk.Dan schreef ik met rode inkt in zijn werkboekje. Op die manier konden volgende werkgevers zien dat hij iets mispeuterd had. Dit kan misschien paternalistisch overkomen, maar zo zat het systeem nu eenmaal in elkaar en zowel de Congolezen als wij maakten er op onze eigen manier gebruik van. De sociale scheiding tussen blank en zwart was een feit. Buiten het werk ging je niet met elkaar om. Een enkele keer ging het verder met een boy en diens familie die al jaren in dienst waren. Slechts met mondjesmaat evolueerde dit contact tussen beide groepen, maar het bleef bijvoorbeeld ondenkbaar dat je iemand van de andere kleur uitnodigde aan je tafel.’

‘Na een term van drie jaren, kreeg de koloniaal 6 maanden vakantie om terug te keren naar het moederland. Voor de Belgen moest het wel een raar zicht geweest zijn, kolonialen die zes maanden niets kwamen doen. Maar ze kenden vaak de omstandigheden niet waarin we drie jaar zonder vakantie hadden gewerkt en gezwoegd in de verzengende hitte van de kolonie. Ik was een buitenbeentje in Congo door mijn Franse oorsprong. Mijn Frans was beter dan dat van veel Franstaligen, maar ik ben er van overtuigd dat ik in mijn carrière vijf jaar achteruitgesteld ben ten opzichte van mijn Waalse collega’s omdat ik een overtuigd Vlaming was. Veel mensen waren beschaamd voor hun Vlaamse identiteit en gingen tegen heug en meug Frans spreken. Ik heb echter nooit geaarzeld om Vlaams vriendenkringen te stichten en het Nederlandstalig onderwijs na 1960 mee te realiseren.

Eind de jaren ’50 was ik commercieel directeur van de brouwerijgroep en ik hield er aan om de mensen regelmatig te bezoeken. Omdat ik de inlandse talen onder de knie had, kon ik vrijer communiceren met het zwart kaderpersoneel. De gesprekken met hen wezen erop dat de onafhankelijkheid er vroeger zou komen dan gepland. De Belgen hebben altijd geweten dat ze niet voorgoed in de kolonie zouden blijven. Je kreeg recht van opstal op een grond en mocht natuurlijk wel bouwen en verbouwen, maar na 99 jaar werd de grond terug eigendom van de kolonie, die tegen dan een onafhankelijk Congo zou zijn. Ik blijf ervan overtuigd dat de grote meerderheid van de zwarten ons niet weg wilde. Het was de zwarte elite die genoeg had van het koloniale systeem. Ze hadden jaren van orders en bevelen achter de rug en boksten op tegen die laatste drempel die ze nooit konden overbruggen. Hun levensstandaard liet niet toe dat ze konden ‘meedoen’ met de blanken.

Vlak voor de onafhankelijkheid wilde de groep een brouwerij oprichten in Kisangani. De man die daar voor instond, had zich politiek verbrand door publiek standpunt in te nemen tegen Lumumba. Hij zou ongetwijfeld vermoord worden op 30 juni. Ik had al eerder gewerkt in de streek en mezelf een goede reputatie als verdienstelijk voetballer opgebouwd. Op vraag van het bedrijf ging ik naar Kisangani, deze keer alleen en op voorwaarde dat mijn familie bij de minste tekenen van reëel gevaar naar België kon vertrekken. Tijdens de onafhankelijkheidsstrijd ben ik nooit fysiek bedreigd geweest dankzij de zwarte generaal Lundulla die in de streek de kalmte kon bewaren.

Na ’60 is mijn gezin slechts teruggekeerd voor kortere vakantieperiodes. De toestand van het land was ontwricht en het sociale leven was kapot. In ’64 heb ik persoonlijk de Simba-opstand meegemaakt. De Simba’s waren een agressieve bende van haveloze jonge mannen onder leiding van Pierre Mulele. Hij gaf hen het wonderwater ‘maya Mulele’ waardoor ze onsterfelijk werden. In augustus ’64 vielen ze de stad binnen en namen alle blanken gevangen. De mannen werden vastgezet in twee militaire kampen, vrouwen en kinderen werden ondergebracht in de hotels. Drie maanden later, op de ochtend van 24 november landden de para’s op de luchthaven van Kisangani. Ik stond toen al met driehonderd andere mannen tegen de muur van Hotel Victoria. De Simba’s hebben ons gedurende 20 minuten onder vuur genomen totdat de para’s het centrum van de stad hadden bereikt. Toen waren er al 35 mannen dood en 120 zwaar gewond. Enkelen, waaronder ik, hadden geen schram. Sommigen hebben deze beproeving niet verwerkt en konden niet meer behoorlijk functioneren. Ikzelf ben gebleven en werd enkele maanden later benoemd tot directeur-generaal van de vestingen in Centraal Afrika. In ’75 was het land, ondertussen Zaïre, kapot. Ik kon geen goed werk meer leveren, de sleutel van onze kassa lag in de handen van de oom van Mobutu, ‘le citoyen Litho’. Voor mijn pensionering ben ik nog een drietal jaren tewerkgesteld in de brouwerij Rodenbach te Roeselare. Vandaag heb ik goede herinneringen aan die 28 jaren Congo. Maar het zijn slechts herinneringen. Het land zelf is een ruïne en ik zie geen toekomst meer weggelegd voor het gebied van de Grote Meren

About Us | Site Map | Privacy Policy | Contact Us | ©2001-2012 Congo-1960