Maanden vol spanning
Start van de Ontwikkelingshulp in Leopoldstad / Kinshasa 30 juni-31 december 1960
Brussel ontving dus de nodige aanvraag van de commissaris‑generaal. Al vóór het einde van 1960 vernam ik langs diverse wegen, dat de weerhouden kandidaten in het kader van wat men "technische bijstand" zou noemen de nodige reisdocumenten kregen voor hun terugkeer naar Kongo. Ze kregen de mogelijkheid hun opdracht te onderbreken na een verblijf van minimaal drie maanden. De meest fantasierijke onder hen maakte van zijn terugkeer zelfs een grapje. In een dolle bui en om indruk te maken op een groep kameraden, die maar niet konden geloven dat hij het aandurfde naar Kongo terug te keren, verstuurde hij ten aanzien van iedereen naar mij een telegram met een uit de lucht gegrepen datum van aankomst te Kinshasa, die toevallig overeenkwam met een vlucht uit Brussel.
Hoewel verwonderd over dit onverwachte bericht en omdat het niet mogelijk was om over de dag van aankomst bevestiging te krijgen, besloot ik mij toch maar op de vermelde datum voor alle zekerheid naar Ndjili te begeven. Het toeval wilde dat de avond en de nacht voor de vermeldde aankomst rond de ambassade van Ghana een hevige schietpartij plaatsvond tussen Kongolese en VN‑soldaten. De Ghanese ambassadeur, door de Kongolezen uitgewezen voor inmenging in de binnenlandse politiek, verzette zich tegen die uitwijzing en kreeg daarbij bescherming van VN‑soldaten. Bij het vuurgevecht viel één slachtoffer, kolonel Nkokolo, die de eerste Kongolese held zou worden en zijn naam zou geven aan het grootste legerkamp van Kinshasa. Ik kon niet vermoeden dat de afreis van de Ghanese ambassadeur, uitgewezen manu militari, en de vermeende aankomst van mijn man in Ndjili zouden samenvallen. Ik begaf mij zonder erg naar de luchthaven. Als enige levende wezens waren hier en daar een groepje Kongolese soldaten te zien. Na lang zoeken vond ik een bediende van de luchthaven die mij geen inlichtingen kon geven over de vlucht die ik verwachtte. Toen ik mij ernstig begon zorgen te maken over de toestand, vernam ik de pas gebeurde uitwijzing van de Ghanese ambassadeur en de sluiting van de luchthaven. Men gaf mij ook te verstaan dat ik best mijn biezen kon pakken. Wat ik ook deed.
De zó verwachte eerste aankomst werd dus naar later verschoven en de aandacht toegespitst op wat gebeurde in de onmiddellijke omgeving. Met het project in de moerassen van de Ndjili‑rivier liep het niet best. Het regenseizoen was al vroeg en radicaal begonnen en overstromingen gaven aanleiding tot ettelijke werkonderbrekingen. De arbeiders kwamen doorgaans zeer onregelmatig opdagen en klachten en betwistingen over het loon en de regelmaat van betalingen waren niet uit de lucht. Een collega en de Fin van de ONUC stonden alleen voor het soms tierende en arrogante volkje. Ze moesten dikwijls hun uiterste best doen om de gemoederen te bedaren. Enkele keren verlieten ze zelfs de werf om erger te vermijden. Eén keer zakte de bende uit woede over onregelmatige uitbetalingen van loon af naar het kantoor van de landbouwdienst. Ik zag de kersverse directeur, die zijn rasgenoten kende, gehaast de trap afhollen de massa arbeiders achter zich aan, in zijn autootje springen en met gierende banden het hazenpad kiezen. Zeer moedig van hem was het niet, maar het zekere voor het onzekere kiezen wel. De reacties van dat volkje vielen moeilijk te voorzien. Dialogeren kon dikwijls maar na enkele rake klappen, met blutsen en builen tot gevolg.
Ik werd met rust gelaten. De arbeiders beschouwden de loonkwestie als een zaak onder Kongolezen, die men moest onderscheiden van de uitvoering van het werk. De uitbetaling van de lonen was overigens geen eenvoudige taak. Enerzijds kwam het verschuldigde geld bij de staatskas moeilijk vrij. Anderzijds was de betaler, een kabinetsattachee van landbouw en gewezen collega‑onderwijzer van de minister van Landbouw, geen toonbeeld van klaarheid. Hoe diezelfde man het achteraf geklaard heeft, om met een studiebeurs vijf of zes jaar in de USSR en dan nog in het Russisch te studeren, en naar huis te komen met een certificaat van pedoloog afgeleverd door een hoger instituut, is voor mij steeds een raadsel gebleven.
Bij iedere betaling werden de gezichten steeds somberder, bijzonder bij degenen die per abuis niet op de betalingslijst voorkwamen en vaststelden dat anderen er tweemaal op stonden. Ook namen van fictieve arbeiders zouden vlug opduiken en in de hand werken dat de werf totaal zou stilvallen. De natuur stak overigens een handje toe. De ongewoon hoge waterstand van de Kongostroom ging tot ongeveer anderhalve meter boven het hoogste peil sinds mensenheugenis gekend en de werf werd voor weken onbereikbaar. Wegen liepen in Kinshasa onder water en hoger op de Kongostroom onderging een elektrische centrale hetzelfde lot. De ontzettend hoge waterstand was een goede gelegenheid om de arbeiders ervan te overtuigen dat ze het werk onmogelijkheid konden voortzetten en om ze definitief naar huis te sturen. Toen het droge seizoen maanden later intrad, stond het water nog bijlange niet terug op zijn normaal peil en het project werd vergeten. Het overschot van het geld was overigens al opgebruikt aan banaliteiten.
Samen met de sanering van de moerassen van de Ndjili‑rivier was een vijftigtal kilometers lange verharde weg voorzien langs de coöperatieve groentetuinen stroomopwaarts in de vallei. De koloniale administratie had de verbetering van deze weg al sinds enkele jaren gepland om de voorziening aan groenten van de stad te vergemakkelijken. De investering was gedekt door een buitenlandse lening. De uitvoering van de werken werd door de Kongolese regering toegekend aan een Kongolese ondernemer. Die wist van wegenbouw weinig af, maar had vrienden op de gewenste plaats in het nieuwe bestuur. Hij schafte zich eerst een grote Amerikaanse slee aan, nog van voor de onafhankelijkheid beschikbaar op stock en zette zich aan het werk. De weg begon aan de verbinding met de hoofdweg op de voorziene breedte en met de vereiste materialen. Dat bleef zo over enkele kilometers aanhouden. Daarna versmalde hij zienderogen en ging na een twintigtal kilometers over in een aardeweg afgelijnd door twee stenen boorden, om te eindigen in het smalle broussepad dat al sinds tientallen jaren bestond. Toen was alle geld op en de mooie auto was ook al in schroot verdwenen.
Dergelijk onzinnig gebruik van overheidsgeld en het gebrek aan inkomsten brachten niet alleen de provincie maar ook het ganse land steeds meer in geldnood. De verkwistingen herhaalden zich in de meest verspreide sectoren van de hoofdstad en alles onder het oog van de regering. Wat in het binnenland gebeurde, waar bijna geen controle mogelijk was, was nog veel erger! Het gevolg was niet moeilijk om te voorzien: de inflatie werd explosief en de parallelle wissel van de Kongolese munt, die steeds weliger tierde, werd een deel van het dagelijkse leven. Met de stijging van de kosten van levensonderhoud werden de gezichten van de Kongolese ambtenaren langer met de dag, hoewel ze zich de weddenbarema's van de koloniale ambtenaren toegeëigend hadden. Bij gebrek aan deviezen, werden de ingevoerde consumptiegoederen steeds schaarser. De rekken van de winkels bleven leeg; moordend aanschuiven in lange rijen voor allerhande koopwaren was niet meer weg te denken. Men stond in de "file" voor alles wat met voeding te maken had: vlees, brood, melk, aardappelen, boter, enz.
Enkel benzine bleef in Kinshasa genoeg voorhanden ten nadele van het binnenland dat zeer gebrekkig voorzien was. De herverkoop van de schaarse producten op de stoep, het liefst in de onmiddellijke nabijheid van de winkels, irriteerde de normale verbruiker. Uiteindelijk was het een goede zaak voor veel kleine mensen, die werk noch loon hadden, ofwel een loon van ontwaarde franken en onvoldoende aangepast. De overheid liet gewoon begaan, op die enkele keer na, dat bij hoog bezoek het imago van Kinshasa moest hoog gehouden worden. Die dagen werden de rijen aan de winkels per politieverordening verboden en de overtreder werd gewoon van de straat geknuppeld.
De ontreddering die binnensloop, ging zich ook steeds meer uiten door gebrek aan onderhoud van de wegen in de stad. Natuurlijk kwam het eerst de sleet aan het licht op de meest belaste wegen. Daar was de ‘poids lourds’, zoals de weg door het industriele kwartier van Kingabwa, een opmerkelijk voorbeeld van. Het verkeer trok er hotsebotsend overheen, veel moeilijker dan over een versleten aardeweg. Later zou zich geregeld hetzelfde voordoen over de ganse stad, om dan plotseling weer tijdelijk te verdwijnen als een algemene herstellingscampagne werd opgezet in het vooruitzicht van een of ander groot vertoon, of hoog bezoek. De rest van het land zou daaronder nog veel zwaarder lijden, omdat de herstellingswerken veel minder frequent waren of totaal uitbleven. De kwaal zou overigens ook typisch worden voor de andere landen in Centraal Afrika. De staat van hun wegen zou overal een beeld weergeven van hun algemene toestand.
De eerste raadgever, een mecanicien, die eindelijk in Kinshasa aankwam, was de man die mij al vroeger voorbarig en in gevaarlijke omstandigheden naar het vliegveld had doen trekken. Ditmaal werd hij afgehaald door een afvaardiging van het ministerie. Er werd beslist dat hij zich het eerst met de GER zou bezighouden voor een grondige schoonmaak. Daarna zou hij zich ontfermen over andere mechanisatiecentra. Hij zou over een woning en een dienstwagen beschikken. De woning was snel gevonden en er bleek ook toch nog ergens op het centraalgouvernement geld beschikbaar voor de aankoop van een voertuig. Maar zodra dit voertuig, een pick‑up, begon te bollen, ontstond al een eerste conflict. De directeur wilde de wagen toevertrouwen aan een chauffeur uit zijn omgeving om medezeggenschap te hebben over het gebruik van de wagen. De mecanicien was echter een kordate man en stuurde de chauffeur zonder veel omhaal wandelen. Tegen mijn verwachtingen in verwekte dit grote wrevel bij de directeur. Toen ik deed alsof hij niet verstond wat hij juist met de wagen voorhad en ik openlijk de mecanicien in het conflict ondersteunde, deed de directeur zeer opgewonden. Hij dreigde zelfs mij door te sturen, naar ik toch uit bevriende bron vernam. Het was de eerste en ook niet de laatste keer van dergelijke dreigementen aan mijn adres. Ik realiseerde mij dat ook hierin geen rechtstreekse vreemde tussenkomst geduld zou worden en dat zelfs een hiërarchie onder de raadgevers nog niet voor de onmiddellijke toekomst was.
Het zou overigens ook nog jaren duren alvorens van Belgische kant een schuchtere poging zou ondernomen worden om dergelijke hiërarchie in te voeren. Dit zou de eerste keer gebeuren in gebieden van het noordoosten, die door het oproer van 1964 verwoest waren, onder de vorm van polyvalente equipes van een viertal Belgische technici, die de uitgeroeide lokale administratie tijdelijk zouden vervangen. Zodra de lokale administratie weer ingezet werd, ontstond er spanning met de equipes. Op een na verdwenen ze kort na mekaar. Pas jaren later zou België met de instemming van de Kongolese regering onder de technici, die rechtstreeks met de Kongolezen samenwerkten, een hiërarchische structuur operationeel maken. In werkelijkheid zou het echt functioneren van die hiërarchie slechts langzaam tot stand komen. Dit na het kanaliseren van de spanningen tussen de Belgen onderling, niet zelden uit rivaliteit en soms handig onderhouden door de Kongolezen bij wie de technici werkten, om de handen vrij te hebben. Nog later zouden gestructureerde projecten een betere formule uitmaken.
Vermits de Kongolezen voortaan alle gezag in de administratie naar zich bleven toetrekken, vond ik ook normaal dat alle verantwoordelijkheid voor de bekomen resultaten bij hen berustte. Gegeven raad werd in de wind geslagen of argeloos vergeten en er werd gehandeld naar eigen goeddunken. De vooruitzichten voor de toekomst van het land, waarvoor ik zelf zoveel verantwoordelijkheid had gevoeld, stelden mij niet gerust. Zo maakte ik er een gewoonte van bij elke gelegenheid de Kongolezen, waar ik mee werkte, erop te wijzen dat ze zich goed moesten realiseren dat de toekomst van hun land voortaan helemaal in hun handen lag. Ik onderlijnde verder dat de hulp uit het buitenland die ze verwachtten wel goed kon gebruikt worden, maar toch enkel complementair zou zijn aan hun eigen krachtinspanning. De meesten schenen die gedachte te beamen. Toch kon ik mij niet van de indruk ontdoen dat ze zich naïef de illusie maakten dat hun aanwezigheid op de plaatsen die de blanken verlaten hadden al voldoende was om het potentieel rijke land verder te doen gedijen. De desillusie zou groot worden.
De teruggekeerde mecanicien was, zoals al gezegd, niet de man om zich te laten doen en daarbij ook een uitstekend vakman. Ik verkoos hem te blijven steunen welke ook de eventuele nare gevolgen konden zijn. Hij bleef in het bezit van zijn voertuig en bleek verder van de directeur geen hinder te ondervinden. Maar bij zijn eerste bezoek aan de GER liep het mis. Met de landbouwkundigen en de arbeiders die hij allemaal goed kende, waren er geen problemen. Hij voerde enkele moeilijke herstellingen uit met de wisselstukken die hij nog vond en gaf talrijke aanwijzingen voor het werk. Tot zijn spijt vond hij echter de discipline niet terug die hij had ingesteld en hij ondervond dat de werkplaatsleider het niet kon stellen met de chef van de GER. De man duldde geen orders van de chef. Het fenomeen deed zich veel voor in de nieuw opgezette administratie, waar hiërarchische oversten zich moeilijk of niet konden laten gelden. Nog erger waren volgens hem de talloze pesterijen die hij ondergaan had op zijn tocht naar Thysstad bij de talrijke wegversperringen. Daar hadden soldaten, politie en dorpelingen met elkaar gewedijverd om geld af te troggelen. Er schijnt ook op hem gevuurd te zijn geweest van op afstand. Na korte tijd was hij in Kinshasa terug met een eerder zorgwekkend rapport over de toekomst van de gemechaniseerde GER. Ook weigerde hij nog over de weg naar Thysstad terug te keren. Daarbij kwam nog het gewicht van de scheiding van zijn gezin. Na drie maanden verkoos hij de terugreis naar België boven een verder verblijf. Voor mij gaf deze eerste proef weinig hoop, maar anderen zouden volgen en volharden.
De jaarwisseling 1960 ‑ 1961 was weinig rooskleurig en ik bracht die dagen door in een eerder bedrukte stemming. De scheiding van vrouw en kinderen woog loodzwaar en de komende maanden waren vol vraagtekens. Op tussenkomst van de ONUC was een einde gesteld aan het college van commissarissen‑generaal; moeizame onderhandelingen begonnen om een nieuwe voorlopige regering te vormen. Het land was in feite gesplitst in drie grote blokken: Kinshasa, Luluaburg (Kananga) en Coquilhatstad (Bandaka) in het westenen zuidwesten; Stanleystad (Kisangani), Bukavu en het noorden van Katanga (Shaba) in het noordoosten en het oosten; Elizabetstad (Lubumbashi), en Bakwanga (Bujimaji) in het zuidoosten en zuiden. Zonder succes trachtte de centrale macht de afscheidingsbewegingen in te dijken. Verscheidene offensieven werden uitgevoerd, het ene al noodlottiger dan het andere. Daarbij kwam nog uit België het weinig hoopgevende nieuws over het reilen en zeilen van het politieke leven. Daar hadden de faliekante afloop van het Kongogebeuren en de ongelukkige "eenheidswet" ook voor groot onbehagen gezorgd. Het huwelijk van koning Boudewijn en koningin Fabiola zorgde voor enige afleiding. .
EINDE
© Valere Deceuninck - Brugge, 20/03/2006
| << terug | pagina 1 - pagina 2 - pagina 3 - pagina 4 - pagina 5 - pagina 6 - pagina 7 | einde >> |















About Us