www.congo-1960.be

Network: | groep facebook congo-1960 | sponsors congo-1960 | Agenda | contact |
Getuigenissen bezoekers | Getuigenissen 1985 | Wedstrijd teksten | Mijn verhaal | 1964 Stanleyville | Kolwezi 1978 | Oral History | Reizen in Congo
Intro Cultuur | Organisatie reizen | Tentoonstellingen | Recepten | Filmen | Muziek | Goed doel info
Wedstrijd 2012 | Reglement | Deelnemers wedstrijd 2012
Intro Documenten | Thesis Jean Schramme
Boeken auteur's die leefde tijdens de colonie | Catalogus Black Label | Nieuwe boeken | Boeken over de colonie | Boeken auteurs die leefden na de colonie | En nog veel meer
Leopoldville | Kasai | Kivu | Ruanda Urundi | Katanga | Equateur | Orientale |
U heeft geschreven |
Nieuwsbrieven
Foto's - Video |
Bedrijven |
Flash diverse berichten | Opzoekingen | Materiaal voor Congo| Statistieken van congo-1960 | ONG | Interessante linken | Histoire amusante | Persinfo
Stuur je getuigenis of foto's naar congo-1960.be en win een boek.

Petillon en Roger GallantRoger Gallant de post in Congo Ik werd geboren in Oostende op 2 maart 1921 uit een zeemansfamilie. Ik voelde me van jongsaf eveneens aangetrokken tot de zee. Na afloop van mijn humaniora in 1938 moest ik echter vaststellen dat de vooruitzichten voor een eventuele maritieme loopbaan door de crisisjaren niet gunstig waren. Op school hadden we met veel belangstelling de geschiedenis van Kongo op de meest boeiende manier geleerd en mijn enthousiasme, zoals trouwens bij veel van mijn tijdgenoten, aangewakkerd werd om er naartoe te trekken van zodra dit mogelijk werd. DE LOOPBAAN VAN UW AUTEUR ALS POSTIER Intussen nam ik deel aan staatsexamens die op de Heizel enkele duizenden kandidaten verzamelden voor een honderd of tweehonderdtal betrekkingen. In afwachting van mijn aanwerving, na het slagen van een examen voor de Post, werd ik aangeworven als lichtmatroos op een visserssloep van een familielid. In juni 1939 trad ik in dienst als postbediende. Na een korte voorafgaande opleiding in Diksmuide, gevolgd door het uitvoeren van interims in de omgeving van Oostende werd ik voor Brussel aangeduid tijdens de periode van de mobilisatie. Een aanmoedigende troost: het zou niet lang duren... Mijn loopbaan had een duur van 42 jaar om uiteindelijk weer tot rust te komen, in Brussel...

Mijn militaire dienst bij een infanterieregiment, begin 1940, redde me tijdelijk van de eentonigheid van een bureaucratisch leven. Op 10 mei werd ons leger bestaande uit 600.000 man onder de voet gelopen door de Duitsers, beter bewapend en meer gemotiveerd. Uiteengeslagen vanaf het begin, bevond ik me aan
het einde van onze campagne van 18 dagen in de streek van Bissegem met de resten van verschillende eenheden om te proberen de opmars van de Duitsers te stoppen, teneinde 330.000 Franse en Britse militairen toe te laten op de stranden omheen Duinkerke naar Engeland in te schepen.

Na hevige en hardnekkige gevechten met zware verliezen langs beide kanten konden we ons terugtrekken naar Duinkerke waar we gevangen werden genomen. We hadden eveneens de gelegenheid in te schepen, maar we hadden enkele gekwetsten in onze groep en waren volledig uitgeput. Na een verblijf van zes maanden in een Stalag bij Königsberg (Oost-Pruisen), kon ik huiswaarts keren.

Ik hernam mijn dienst begin 1941, steeds in Brussel, en diende mijn aanvraag in bij het Ministerie van Koloniën, waar nog steeds een permanente dienst aanwezig was om naar Kongo te vertrekken. Geen enkele mogelijkheid. Met een familielid, een legerpiloot probeerde ik Afrika te bereiken via Spanje.

Mislukte poging.

Mijn neef had meer geluk en kon Engeland vervoegen om aangeworven te worden bij de R.A.F. na een jaar verblijf in een gevangenenkamp in Miranda (Spanje).Na mijn huwelijk, einde 1941, berustte ik in mijn lot om wijselijk de afloop van de oorlog af te wachten zonder verdere kleerscheuren. Een illusie!Begin 1944 werd ik weggevoerd naar Berlijn (arbeitsverpflichtet). De eerste vijf maanden was ik werkzaam bij de Duitse militaire Post als 'Hilfspostfacharbeiter' hulpberoepspostman. Ik moet bekennen dat, gedurende deze periode, de contacten met mijn Duitse collega’s heel correct waren, de ravitaillering voldoende en het verblijf in het kamp, rekening houdende met de omstandigheden, draaglijk.In een barak opgetrokken op een opgeruimd terrein in het centrum van Schöneberg (Berlijn) tussen het puin van gebouwen vernietigd door de veelvuldige bombardementen, waren we met vierhonderd postiers van een tiental verschillende nationaliteiten.

Er heerste een algemene goede verstandhouding hetgeen enigszins de ongemakken van het kampleven draaglijk maakte. Ik werd aangeduid als Dolmetscher of Vertrouwensmann wat betekende tussenpersoon tussen de Belgen, de Fransen en de kampoverste. Een ondankbare functie tijdens een toestand die steeds verslechtte.

Door de bestendige terugtocht van de Duitsers in Rusland verminderde de activiteiten van de Deutsche Feldpost en moest ik vervolgens werken in de bekende onderneming Polynsky und Zöllner om een bunker te bouwen in het centrum van Berlijn. De mentaliteit was er heel anders. De ploegbazen waren veeleisend en niet
gemakkelijk. We kenden perioden van 12 uren per dag of 84 uren per week. De ravitaillering werd ook verminderd maar iedereen troostte zich met de gedachte dat het einde niet ver af was. Maar dit veel verwachte einde was echter nog ver af. Na de bevrijding van België in september 1944, moesten we nog wachten tot in mei 1945 vooraleer
door de Russen te worden bevrijd en dit na gruwelijke straatgevechten die ik verkies niet te beschrijven en waarvan ik enkel en alleen kan onthouden tot wat een mens bekwaam is te doen in oorlogstoestanden.Vóór deze bevrijding moesten we tengevolge van de bombardementen tot tweemaal toe onze barak
herbouwen en viel de dood van een veertigtal lotgenoten te betreuren of 10 % van het totaal.Na het uiterste tegenoffensief van de Ardennen gedurende de winter 1944-45 door Generaal von Runstedt dat eindigde met een nederlaag, werd ons leven steeds meer ondraaglijk.

Praktisch dagelijks bombardementen, geen verwarming, geen hygiëne, we waren geplaagd door vlooien; met een ravitaillering beperkt tot minimum 175 gr. brood per dag, teveel om te sterven en niet genoeg om van te leven, dit alles begeleid door een groeiende nervositeit en veeleisendheid vanwege de ploegbazen.Ik had nauwgezet het aantal en de duur van de bombardementen genoteerd om, na een verblijf van vijftien maanden, tot een totaal te komen van 213 bombardementen op Berlijn met een totale duur van 234 uren.De “bezoeken” werden doorgaans uitgevoerd door de Engelsen ‘s nachts en door de Amerikanen overdag.

Ik heb op 8 mei 1945, dag van de wapenstilstand, Berlijn verlaten met een kleine groep. We hebben gemarcheerd dagen aan een stuk. De regio tussen Berlijn en de Elbe gaf het uitzicht van een uitgestrekt slagveld, overal bezaaid met lijken, die getuigen van bloedige gevechten. Er waren miljoenen vreemdelingen in Duitsland die allen naar huis wilden keren: vrijwillige en verplichte arbeiders, krijgsgevangenen en politieke gevangenen, iedereen wilde naar huis. We kruisten regelmatig eindeloze colonnes mensen die zich verplaatsten als colonnes mieren in alle mogelijke richtingen.Wel werden we vaak geravitailleerd door de Russen. Aan de Elbe had een nationaliteitsuitwisseling plaats tussen Amerikanen en Russen. Bv. vijfhonderd Fransen, Belgen en Nederlanders tegen hetzelfde aantal Polen, Russen of andere volkeren van het Oosten.

Na een drietal weken was het uiteindelijk onze beurt om te passeren naar de Amerikaanse zone waar we ons werkelijk vrij begonnen te voelen. Zo konden we verder onze weg voortzetten per trein, opeengepakt in open wagons en dit gedurende een tiental dagen.De terugreis had een totale duur van 40 dagen. Dit was de meest onvergetelijke reis terug naar een normaal leven, terug naar de vrijheid na er zestien maanden van ontnomen geweest te zijn in omstandigheden die moeilijk te beschrijven, zelfs niet denkbaar zijn.Zo kwam een einde aan mijn verplichte tewerkstelling in Berlijn. Er was enige tijd nodig om me terug aan te passen. Het verlangen mijn moeder weer te zien om uiteindelijk te vernemen dat ze reeds een

Adjudant R. Gallant, eerste van links, enkele weken later,
in bezet Duitsland in augustus 1946 en... Postontvanger in Francquihaven.
jaar eerder gestorven en begraven was, de aanpassing aan een nieuw leven in een nieuwe wereld, de onmogelijkheid
om te slapen in een zacht bed terwijl ik altijd op een strozak op planken mijn rust had moeten
vinden, enz. enz.

Later heb ik twee neven teruggezien die bij de R.A.F. hadden gediend als piloten op de jachtbommenwerpers Mosquito en die fier waren over de bombardementen die ze op Berlijn hadden uitgevoerd. Ze hadden ook nota genomen van hun “bezoeken” die overeenkwamen met mijn nota’s over uur en datum...

Hoofdschuddend kwamen we tot de conclusie dat in tijden van oorlog alles toegelaten is en alles mogelijk is...

Ik heb mijn dienst hernomen bij de Post in juli 1945 en mijn aanvraag om naar Kongo te vertrekken als postier bij het Ministerie van Koloniën bevestigd.

Er was geduld nodig en intussen slaagde ik in het examen van gewestbeambte van tweede klasse.

Mijn vertrek diende echter te worden uitgesteld met een jaar wegens gezondheidsreden: de gevolgen van de in Duitsland ondergane vermageringskuur bleven nog een drietal jaren voelbaar.Intussen werd ik aangeduid voor de Militaire Post in bezet Duitsland om het nieuwe postkantoor B.P.S.6. geïnstalleerd in Bensberg te beheren. Bensberg is een kleine stad die niet te veel was verwoest met
een sterke concentratie van onze bezettingstroepen en waar ik acht maanden heb verbleven. Ik had uiteindelijk de keuze tussen twee loopbanen: deze aan de Militaire Post in bezet Duitsland, die toen aanzien werd als tijdelijk en van korte duur, en deze in Kongo waarvan het einde niet kon voorzien worden. De ondervinding heeft echter het tegenovergestelde bewezen. Ik heb nooit spijt gehad de tweede keuze te hebben weerhouden en adjudant R. Gallant werd uiteindelijk
gedemobiliseerd op 1 september 1946 om zijn koloniale loopbaan te beginnen zonder de minste voorafgaande vorming aan de Koloniale School. Graad: Adjunct-postontvanger van 3e klasse met een basisjaarwedde van 100.000 Bef.

Deze toestand was inherent aan de aflossing na de oorlog gedurende dewelke iedereen gehaast was om naar België terug te keren.Ik steeg op in Melsbroek, een week na mijn demobilisatie, per DC4, 44 passagiers aan boord om na zesentwintig uren vlucht te landen in Leopoldstad na tussenlandingen in Tripoli en Kano City.

Mijn vrouw vervoegde me twee maanden later.Ik bood me aan op de Directie van de Post waar men onwetend was over mijn aankomst. Ik begaf me vervolgens naar de woonst van de Directeur-generaal die me ontving in pyjama. Een zeer vriendelijk en hartelijk man, gekend om zijn dienstwilligheid en wegens zijn ouderdom (70 jaar) gekend als Papa Wéry. Hij had juist een telegram ontvangen van de postontvanger van Francquihaven die 'riskeerde zich te bevinden tussen vier planken' indien zijn vervanger niet op tijd toekwam.Ontroerd door dergelijke vooruitzichten heeft hij me zonder aarzelen naar Francquihaven gestuurd.

Aangekomen per vliegtuig in Luluaburg had ik nog enkele dagen te wachten vooraleer de koeriertrein vanuit Elisabethstad te kunnen nemen: Luluaburg was in 1946 een onbelangrijke lokaliteit met ongeveer 300 blanken om, een tiental jaren later, hoofdplaats te worden van de Kasaiprovincie met 3.500 Europeanen en 60.000 Autochtonen.

Aangekomen te Francquihaven, na 17 uren trein om 422 km af te leggen, werd ik door mijn voorganger met open armen ontvangen; hij kon eindelijk met verlof terugkeren na een verblijf van zeven jaar in een ongezond klimaat. Zo begon ik mijn zes termen, vertegenwoordigend een totaal van vijftien effectieve jaren.

1- Eerste term in Francquihaven (sept.'46 - sept. '49). Zie Ilebo (pag. 452). Hoogteligging 354 m -
Kasaïprovincie - Kasaïdistrict - gedetacheerde territoriale post van het gewest Mweka die vervolgens
gewesthoofdplaats werd in 1952. Belangrijk commercieel landbouw- en industrieel centrum. Katholieke
Missie die er een kerk bouwde en een school opende voor autochtonen.

Dichtsbijgelegen ontvangerijen gehouden door Belgische collega’s: Luebo langs de weg op 244km, Luluaburg op de spoorlijn op 422 km en Banningstad op de Kasaïrivier op 505 km.Op deze wegen waren kolonisten en maatschappijen geïnstalleerd met wie ik in contact was door depêches spéciales (zie pag. 207). Er waren er een veertigtal waaronder de Huileries du Congo Belge -Brabanta (H.C.B.) en de Compagnie du Kasaï (C.K.) op de Kasaï en de Exploitation Forestière au Kasaï (Exforka Kakenge) op de spoorlijn.
Twee bijkantoren: Basongo en Dekese gehouden in beide gewesthoofdplaatsen door territoriale klerken.Er waren geen banken in Francquihaven zodat de financiële bewerkingen grotendeels door de Post werden uitgevoerd.Transitpunt tussen enerzijds het bevaarbare gedeelte van de Kasaï en anderzijds de spoorlijn

  • B.C.K. met volgende verbindingen:

    Riviervaart : Terminus van de regelmatige wekelijkse scheepsvaartlijn Leopoldstad - Francquihaven verzekerd door een koerierboot. Verbinding eveneens met alle havens op de Kongostroom en zijn bijrivieren.
    Spoorweg: Eindpunt van de B.C.K. - lijn Francquihaven - Luluaburg - Elisabethstad en de andere B.C.K. stations. Dienst verzekerd drie maal per week met aansluiting te Kabalo, Albertstad en Kindu eveneens met Zuid-Afrika en Mozambique en, in Tenke, met Kolwezi, Dilolo en Lobito (Angola).
    Langs de weg: met Luluaburg, Tshikapa, Kikwit, Leopoldstad, Stanleystad en, vanuit deze centra, met alle lokaliteiten van de Kolonie.
    Per vliegtuig: De Aero-Mas, private maatschappij, die de dienst verzekerde tussen Leopoldstad-Elisabethstad met facultatieve tussenlanding in Francquihaven. In 1948 werd deze maatschappij opgeslorpt door de Sabena en daardoor de luchtverbinding afgeschaft. Alles samen, een term zonder bijzondere geschiedenis.

De ontspanning was er beperkt op uitzondering na van de wekelijkse aankomst van de koerierboot en de B.C.K.-Club waar iedere zaterdag een film werd geprojecteerd en, in ‘t algemeen, de aangename en vriendelijke contacten met alle mensen van de lokaliteit en van deze van de omliggende brousse. Bovendien het genoegen bezoekers in passage te ontvangen zoals dit volgens oude tradities altijd heeft bestaan.

De ravitaillering gebeurde vooral door de alomtegenwoordige Sedec waar men een gerookte haring kon kopen, een whisky drinken en terzelfdertijd een auto kon bestellen in België, af te leveren bij aankomst in Antwerpen.

De aardappelen werden geleverd door een Katholieke Missie in Kamina, het vlees vanuit Elisabethstad respectievelijk op 900 en 1500 km of 2 à 3 dagen trein.

Ik had geen wagen en verplaatste me per fiets, zelfs om me naar het vliegveld te begeven; een ijskast werd uiteindelijk geleverd na twee jaar. De adjunct-gewestbeheerder was in hetzelfde geval. Ik kreeg regelmatig het bezoek van de Nyimi Bushongo, die doorgaans de naam kreeg van Lukengo, de Koning van de Bakuba, één der meest interessante volkeren van Kongo en die verbleef in Mushenge op 62 km van Mweka waar hij er een indrukwekkende harem op na hield.

De Nyimi in 1948. Het staatsiegewaad van de Koning is met duizenden kauri’s versierd alsook met vellen, koperen ringen, enz.; er wordt beweerd dat het meer dan 75 kg woog.


Ik werd eveneens aangeduid als commandant van de Europese vrijwilligers, een aangename maandelijkse
ontspanning met schietoefeningen.

2- Tweede term in Goma (maart 1950 - maart 1953).
Graad: Eerstaanwezend adjunct-postontvanger met jaarlijkse basiswedde van 125.000 fr.
Hoogteligging 1500 m. gelegen op de noord-oostelijke oever van het Kivumeer.
Blanke bevolking 400, autochtone 10.000. Hoofdplaats van het District van Noord-Kivu en hoofdplaats
van het Gewest van Goma.Goma was een bevoorrecht centrum van kolonisatie. Veel kolonisten waren vooral bedrijvig in het uitoefenen van hoogteculturen zoals arabica-koffie, thee, kina (quinquina) en pyretrum als bestrijdingsmiddel
voor insecten.De lokaliteit, zoals trouwens de gehele regio van Noord-Kivu, gonsde van bedrijvigheden.

  • Officiële lagere school voor Europese kinderen met internaat.
    Verschillende scholen voor inlanders.
    Belangrijk commercieel centrum, Zetel van de Direction générale de la Cie Minière des Grands Lacs
    (M.G.L.) en de Cimnoki. Reisagentschap.
    Bank van Belgisch Kongo, Belgische Bank van Afrika en van de Société Congolaise de Banque (Socobanque)
    Haven aan het Kivumeer (Keshero)

    Verbindingen:
    – Langs het meer: twee keer per week met snelle vedetten die eveneens Kirotshe, (in vervanging van Sake, die
    afgesloten werd door een lavastroom in 1938) in de baai van Bobandana, Kisenyi, Kakondo en Bukavu aandeden.
    Evenals met de s/s Tombeur (zie pag. 270).
    – Langs de weg: wekelijkse verbinding door koeriercamions van de Vicicongo naar Stanleystad en Bunia,
    waardoor veel “depêches spéciales” geadresseerd aan de kolonisten langsheen de weg werden bediend
    alsook het militair kamp van Rumangabo en het Nationaal Albert Park.
    – Vliegtuig: dagelijkse heen- en terugvlucht naar Bukavu per Dove-vliegtuig van de Sabena.
    – Fiets: dagelijkse heen- en terugverbinding per fiets naar Kirotshe (33 km) en de kolonisten op de weg.
    Secundaire kantoren: de onderontvangerijen van Kirotshe en Rutshuru en het bijkantoor van Masisi.

Het Kivumeer in de omgeving van Goma.

We woonden in het begin van onze term aan de oever van het Kivumeer, waar ik een kleine zeilboot
had, in afwachting dat ik begin 1953 het nieuw gebouw met woonst kon betreden. Het is in dit aards
paradijs dat we onze tweede term doorbrachten. Goma samen met Kisenyi, aan de grens met Ruanda,
vormden een belangrijk centrum van toerisme: een prachtig meer en een even prachtig strand in Kisenyi.
De ravitaillering liet toe te leven zoals in België.

Indien het klimaat optimaal was, was dit echter niet het geval met de werkomstandigheden. Gedurende deze periode kende Goma een ongehoorde uitbreiding; deze toestand werd vooral beïnvloed door de oorlog in Korea waardoor veel werd geïnvesteerd in de Kivu en de kolonisatie aanwakkerde.

Verschillende kolonisten beschikten zelf over een persoonlijk vliegtuig.

Als vliegveldoverste vergde mijn tegenwoordigheid een zestigtal uren per maand op het vliegveld.
Er deden zich twee vliegtuigongevallen voor waarvan één met dodelijke afloop. En, zoals altijd, werd het
personeel slechts na één of twee jaar naar behoren aangepast; mijn voorganger had destijds zelf een affiche
geplakt op het postkantoor: Kantoor bestendig open, in geval van afwezigheid zich wenden tot de
postontvangerij bij hem thuis.
Dit alles heeft me toch niet belet het Nationaal Albert Park te bezoeken en de vulkanen Nyiragongo(3.471 m) en Nyamulagira (3.058 m), te beklimmen die steeds in activiteit waren. Ik had ook het geluk deze laatste, in 1952, in volle eruptie te beklimmen, en getuige te zijn van een indrukwekkend spektakel. In maart 1953 zijn we teruggekeerd via Nairobi waar een gespannen toestand heerste ten gevolge van de opstand van de Mau-Mau.

Veel Engelse kolonisten hadden inderdaad hun plantages verlaten om toevlucht te zoeken in Nairobi teneinde te ontsnappen aan de moordpartijen georganiseerd door Jomo Kenyatta.

We hebben in Mombasa (Kenya) het Franse passagiersschip Eridan genomen, komende uit Saïgon met bestemming Marseille, en dat veel militairen aan boord had en die praatten met veel pessimisme over de degradatie van de toestand in Vietnam. Ik heb me op dit ogenblik niet kunnen indenken dat ik, twintig jaar later, het einde van die vuile en wrede oorlog in Saïgon zou meemaken, toen ik eens te meer belast werd met een vreedzame zending tot organisatie van de postdiensten in Zuid-Vietnam.

3- Derde term in Leopoldstad met een duur van 3 1/2 jaar (sept. 1953 - maart 1957)
Graad: Postontvanger (na het slagen van een examen).


Aankomst op 16 mei 1955. In naam van de Europese en Afrikaanse bevolking van Belgisch Kongo en van Ruanda-Urundi, brengt de Gouverneur-generaal M. Pétillon aan Koning Boudewijn hulde vanwege Belgisch Afrika.

 

Zegels van de serie van de Koninklijke Reis door Kongo, uitgegeven op 15 februari 1955.

Na mijn terugkeer uit verlof werd ik aangeduid als lesgever van de Postschool. Ik eindigde de achtste sessie met 47 laureaten komende uit de zeven provincies van de Kolonie.De negende sessie groepeerde 46 leerlingen, toekomstige klerken en onderpostontvangers en die eindigde in december 1954, na een sessie van negen maanden. Na de tiende sessie te hebben voorbereid voor een vijftigtal kandidaten werd ik aangeduid voor het postkantoor van Leopoldstad, sectie-overste van de koeriers

Leopoldstad was de draaischijf van het luchtverkeer in Centraal Afrika voor de ganse Kolonie. Het vliegveld was in Ndolo en vervolgens, vóór de Onafhankelijkheid, in Ndjili op 25 km van Leopoldstad. De Sabena en Airbrousse verzekerden het vervoer van de koerier naar 37 vliegvelden verspreid over Kongo en Ruanda-Urundi.

Zoals in de gehele Kolonie werd de koerier onmiddellijk na aankomst in de kantoren uitgedeeld, 24 op 24. De uitreiking van de koerier uit België bevond zich reeds in de postbussen twee uur na de landing op het vliegveld van Ndolo. Depêches werden gevormd voor de helft van de ontvangerijen van Kongo.

In 1955 werd mijn term onderbroken door de reis van de Koning en, tot mijn aangename verrassing, werd ik uitgekozen om deel uit te maken van het Koninklijk gevolg tijdens de reis doorheen Kongo en Ruanda-Urundi met als opdracht me ter beschikking te stellen van de deelnemers teneinde de postcommunicaties te vergemakkelijken.De nodige beschikkingen werden genomen om een tijdelijke postdienst te openen op de plaatsen en op de data waarop het gevolg passeerde en die uitsluitend functioneerde voor de ontvangst en de verzending van de koerier betreffende de perscorrespondenten die deel uitmaakten van de koninklijke reis.

De gehele organisatie was nauwkeurig voorbereid.

De reisweg (10.000 km) doorheen Kongo en Ruanda-Urundi vertrok vanuit Leopoldstad op 16 mei
1955 om te eindigen in Stanleystad op 11 juni 1955.

Aankomst op 16 mei 1955. In naam van de Europese en Afrikaanse bevolking van Belgisch Kongo en van Ruanda-Urundi, brengt de Gouverneur-generaalM. Pétillon aan Koning Boudewijn hulde vanwege Belgisch Afrika. De eerste triomfantelijke dag bracht zeventigduizend toeschouwers samen in het stadium van Leopoldstad om een groot openluchtfeest bij te wonen met een defilé, turnoefeningen, spelen en spektakel.



Het passagiersschip “Elisabethville” dat ons op 20mei In Stanleystad, op 10 juni 1955, tijdens een roeiwedstrijd zetten de prauwen koers naar het koninklijk vaartuig dat weldra door de enthousiaste roeiers overrompeld werd.

 



 

 

 

 

 

 

 

 

elisabethville roeiers naar de koninklijke vaartuig.jpg

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De laatste foto van de Koninklijke reis op 11 juni 1955. Toegejuicht door de menigte die het vliegveld overrompelde, verlaat de Koning Stanleystad om België te vervoegen.
Op een groot spandoek drukken alle aanwezigen de innigste wens uit: Sire, kom terug. Hij kwam inderdaad terug, vijf jaar later, maar in de gekende omstandigheden...

 

 

 

 

 

 

 

 

 

André Cauvin, de cineast tijdens de koningsreis en auteur van het boek “Bwana Kitoko”.

Beoordeling van Koning Boudewijn na zijn reis.

De grootste etappen op deze reisweg Luluaburg, Kamina, Elisabethstad, Usumbura, Nyanza, Bukavu met als eindpunt Stanleystad volgens bijgevoegde kaart, De groep personen, uit België, Kongo en het buitenland, bestond uit journalisten, cineasten enz. en was samengesteld als volgt:

9 Brusselse kranten, 15 uit de provincie, 2 Nat. Radio Omroep, 2 Inforcongo, 2 Agentschap Belga,
1 reporter-fotograaf, 6 cineasten (groep Cauvin), 12 buitenlandse kranten, 4 buitenlandse agentschappen,
20 koloniale kranten alsook een twaalftal technische personeelsleden van verschillende diensten van het Koloniaal Bestuur (P.T.T., Vliegwezen, Secretariaat instaande voor de organisatie, enz), totaal 85 verdeeld over 5 DC3-vliegtuigen van de Sabena.

Een vliegtuig Dove was voorbehouden aan de Koning en zijn gevolg.

Overal tijdens zijn reis doorheen Kongo was de Koning het voorwerp van uitbundige manifestaties
van eerbied en toewijding vanwege de Europese en Afrikaanse bevolking. Overal gaf de bevolking uiting
van vreugde en erkentelijkheid en waren de steden, de wegen en de dorpen het voorwerp van een bijzondere zorg om de Vorst te ontvangen, soms met grote luister, doch steeds met het vuur van de aanhankelijkheid.Voor deze reis was trouwens een reisweg uitgestippeld die de Koning in de mogelijkheid zou stellen om alle Kongolese provincies en Ruanda-Urundi te bezoeken.

We waren getuige, doorheen de ganse reis van de Koning, van de onvergetelijke taferelen bij het triomfantelijk bezoek, onvergetelijk voor de organisatoren, onvergetelijk voor de ganse bevolking en vooral voor degenen die het geluk hadden deel uit te maken van zijn suite. Overal werd een overvloedige documentatie betreffende de bezochte regio’s ter beschikking gesteld van de journalisten.

Zo eindigde mijn rondreis met het Koninklijk gevolg, het was dan ook de meest markante gebeurtenis van mijn derde term die verder verliep zonder veel problemen in een stad waar het goed was te leven met een comfort zoals in België.

 

Vierde term in Stanleystad (oktober 1957 - einde augustus 1960). Graad controleur.

De traditionele foto bij het vertrek uit België. Uw auteur met zijn echtgenote in 1957.
Deze term zou de meest interessante worden van mijn koloniale loopbaan met een niet te verwachte dramatisch einde.

Tijdens deze periode, die verminderd werd tot 34 maanden door de Onafhankelijkheid heb ik de functie uitgeoefend van postcontroleur voor de Oostprovincie.

Mijn activiteiten kunnen worden samengevat als volgt:

Eerst en vooral enkele bijzonderheden over deze provincie: oppervlakte 504.037 km2 of ongeveer deze van Frankrijk of 17 maal België, blanke bevolking 17.870 of 15,54 % van de totale bevolking van de Kolonie, autochtone bevolking 2.506.398 of 18,17 %. De provincie was verdeeld in vier districten, op hun beurt onderverdeeld in vierentwintig gewesten en 220 voogdijen of chefferies (gemeenschappen georganiseerd sinds 1910, door het Gouvernement waarvan het beheer werd toevertrouwd aan de gewoonterechterlijke autochtone chefs). Hoogteligging tussen 400 en 1800 m.

Zeer interessante algemene toestand op gebied van economie, landbouw en industrie, ontginning van goud te Kilo Moto, enz…, kortom een georganiseerde en welvarende provincie waar het goed was te leven.In zijn boek " Stanleyville où le Lualaba devenait Congo " (1992) de gewezen burgemeester Roger Depoorter geeft een beschrijving van de stad die eens de zijne was: Vóór de Onafhankelijkheid bedroeg de blanke bevolking meer dan 5000 inwoners verdeeld over veertig verschillende nationaliteiten. De Kongolezen die slechts 35.289 waren in 1939, benaderden de140.000 in 1960. In minder dan vijftien jaar gedurende dewelke moeite noch geld werden gespaard, zowel vanwege de privésector als vanwege het Gouvernement, heeft Stanleystad zich ontwikkeld van een groot dorp tot een moderne bedrijvige stad, maar steeds aangenaam, gezond en vriendelijk.

De controles
Aantal te controleren kantoren: 9 ontvangerijen, 39 onderontvangerijen en 28 bijkantoren.Het doel van de controles kan als volgt worden samengevat: onregelmatigheden voorkomen of verbeteren, de organisatie controleren en verbeteren, en de manier van dienen van het personeel waarderen.De duur van de hierna volgende controles heeft geen absolute waarde: het was slechts de bedoeling een basis van waardering vast te stellen. Een nazicht kon eventueel worden verlengd in geval van noodzakelijkheid.

Nazicht Bijkantoor Onderontvangerij Ontvangerij
Beknopt 2 uren 4 uren 2 dagen
Half-grondig 4 uren 1 à 2 dagen 4 dagen
Grondig 1 dag 4 dagen 8 à 15 dagen volgens
de belangrijkheid van het kantoor

In ‘t algemeen diende een provinciecontroleur 2/3 van het jaar te reizen en vertrok dikwijls voor inspecties van een tweetal maanden en meer zonder huiswaarts te keren. De controleur moest bijgevolg alle districten en gewesten contacteren alsook de maatschappijen in ‘t algemeen en deze van ‘t vervoer in
‘t bijzonder, de religieuze missies die overal verspreid waren als centralisatie- en ontwikkelingspolen.

Door de algemene evolutie van de Kolonie was het nodig de dienst bestendig uit te breiden en aan te passen aan de behoeften en de creatie te overwegen van kantoren tot in de verste hoeken van het land. De contacten met de inlandse voogdijen werden dan ook geleidelijk meer en meer nodig.

Op het einde van zijn zending moest de controleur, met kennis van zaken, kunnen antwoorden op
volgende vragen:

1° Is de dienst naar behoren georganiseerd?

2° Beantwoordt deze aan de lokale vereisten?

3° Wordt hij verzekerd overeenkomstig de reglementaire beschikkingen?

4° Welke is de waarde van de personeelsleden?

5° Is het effectief in verhouding met de belangrijkheid van de kantoren?

6° Zijn alle veiligheidsmaatregelen genomen?

In 1958 en 1959, en vervolgens tot aan de Onafhankelijkheid, heb ik alle kantoren van de Oostprovincie kunnen bezoeken, tezelfdertijd de territoriale overheden gecontacteerd, enz. overeenkomstig mijn dienstverplichtingen, verder de verbetering van de transportmogelijkheden overwogen in functie van de toenmalige bestendige evolutie door de reiswegen te volgen van de koerierdiensten en in ‘t algemeen de aanpassing van de kantoren aan de dienstnoodwendigheden.

Niettegenstaande de bloedige onlusten in Leopoldstad begin januari 1959 veroorzaakt door een kleine groep, na een verboden meeting van de ABAKO, maar die werd aangedikt door duizenden autochtonen na afloop van een voetbalmatch waarbij een lokale ploeg verloor van een Belgische ploeg, bleef de Oostprovincie kalm.Ik heb me steeds verplaatst met mijn persoonlijke wagen, vergezeld van mijn echtgenote en was dikwijls verplicht in een etappehuis te logeren daar niet overal hotels voorhanden waren. Nooit werd ik
geconfronteerd met de minste vijandigheid vanwege de bevolking.

Tijdens mijn inspectietochten gebeurde het te logeren in een “gîte d’étape” of etappehuis.

Mijn verplaatsingen waren zelfs aangenaam en gevarieerd.

In zijn boek 'Cette Afrique quittée… qui ne m'a jamais quitté (janvier 1955)' Eugène Debognie, gewezen journalist van Radio Belgisch Kongo geeft een beschrijving van de vermaarde 'Voie Royale' die de ganse provincie doorkruist, en die ik tweemaal genomen heb om de kantoren op deze weg te controleren.

Met zijn toestemming volgt hierna in extenso een uittreksel, in vrije vertaling, over de beschrijving van deze verkeersweg gezien door het oog van een ervaren journalist.

Bij het verlaten van Dembia, heb ik een oude boy van Chaltin teruggevonden. Hij is goed gekend in de regio en, van tijd tot tijd, brengt hij een kort goed bedoeld en toch gematigd geïnteresseerd bezoek aan de Europeanen van Dembia.Hij vertelt hen zijn herinneringen, tamelijk onduidelijk, uit de tijd van de overwinnaar van Redjaf
en vertrekt vervolgens met een pakje sigaretten of ander klein geschenk, ter herinnering aan de overwinnaar van Redjaf.

Hij is genesteld in een klein dorp, aan de kant van de weg in een hut helemaal zwartgerookt zoals een Ardeense hesp. Hij zegt niet veel, lacht en komt dikwijls verward over.
Vanuit zijn hut komt hij terug met een foto, met niet de verwachte beeltenis van Chaltin, maar wel van hemzelf, in zijn gloriejaren, te midden van zijn waarschijnlijk reeds verdwenen vrienden.Zijn gezicht, bedekt met een oude militaire veldmuts, is nog buitengewoon glad in tegenstelling met zijn grijze slapen. Twee mannen ui het dorp vervoegen ons in de wagen, om naar alle waarschijnlijkheid, ons teleiden naar een graf van een pionier in de brousse.Na vele omwegen komen we uiteindelijk aan een brede bocht van de Uele.
Geen spoor van een graf, maar de mannen wisten te vertellen dat de Blanke tot hier is gekomen, maar vervolgens de rivier had overgestoken. Welke Blanke ? Ik zal het nooit weten maar een grote omweg die echter goed gemaakt werd door een prachtig zicht
op de Uele.We hernamen de weg. De Koninklijke Weg !


Bumba op de Kongostroom verbindende met Aba, aan de Soudanese grens, is de verbindingsweg meermaals koninklijk, dit door zijn comfort, zijn wouden, horizonten en vooral door zijn vele sporen die herinneren aan de pioniersperiode.In Bumba en Buta rusten inderdaad pioniers, waaronder deze arme Lengrand, jong officier belast met de bezettingspost van Buta, en die een einde stelde aan zijn leven in een opwelling van koorts.In Bambili, was het de bewonderenswaardige dokter Vedy, die in het Uelegebied kwam in volle Arabische veldtocht en later ontwikkeld was in de opstand van de Batetela, waarbij hij één van de weinige was die kon ontsnappen na een lange dodenmars en vervolgens nog enkele jaren vocht tegen de epidemie van de pokken en andere. Uiteindelijk bezweek hij aan hematurie, nadat hij zich volledig had
ingezet voor de verzorging van een jonge agent, getroffen door dezelfde ziekte, en dit in een laatste daad van totale zelfverloochening.

Via een lange laan van mangobomen rijden we Niangara binnen, een van de voornaamste historische plaatsen van de pacificatie van de Uele.

Links van ons, niet-verwachte ruïnes, van wat vroeger een fort moest geweest zijn. Hier werd de eerste post gebouwd van Niangara. Dit gebouw was een luxe in de tijd van de gevechten tegen de Arabieren en de turbulente stammen van de regio. Het was eenmaal een post maar ook niet de eerste. Momenteel is het gebouw van het gewest ietwat verder gelegen en het oude fort is bijna totaal vervallen.Achter deze overblijfselen van een vergane glorie, ligt het monument van Redjaf, enkele trappen, een voetstuk en een kolom. De trappen zijn versierd met rechtstaande kleine obussen. Dichtbij de huidige kantoren van het gewest is er een ander monument, gewijd aan de overwinnaar van Redjaf. Op het voetstuk staat het borstbeeld van Chaltin, een vol gelaat, de onderste lip gezwollen, een grote snor met omgekrulde punten, diepe kleine wegzakkende ogen.

Rechts van de weg vervoegen we het merkwaardig tribunaal van Niangara, prachtig gekleurd door de Matchaga, de adelen van het land, waar de kunst prijkt, zowel op de binnen- als de buitenmuren, hoogst waarschijnlijk geïnspireerd door de praalzieke en wrede Arabische sjeiks.

Niet ver vandaar rusten andere pioniers tussen vier, met mos bedekte muren, in de schaduw van mangobomen. Soldaten, officieren, Millard, Vandevelde, Volon en andere, evenals een dokter. Een eigenaardig en innemend personage is wel deze van Dokter Charbonnier.Afgestudeerd aan de ULB, socialist en antikoloniaal, stond hij aan het hoofd van het Instituut van Doofstommen van Sint-Agatha-Berchem, op het ogenblik van het groot Afrikaans avontuur. Tegenstander van de vaccinatie, verloor hij een kind aan de pokkenziekte. Dit betekende voor hem een volledige ommekeer in zijn leven en deed hem besluiten te vertrekken naar de Onafhankelijke Vrijstaat, naar het Uelegebied geteisterd door de pokken, voor dit groots kolonisatiewerk, dat hij destijds afkeurde, terwijl hijzich later zou inzetten voor de bestrijding van deze ziekte tot op de dag dat hij aan een hematurie zou bezwijken.

We hernemen de Koninklijke Weg, naar Dungu. Op een kruispunt staat een wegwijzer: Ekibondo. We rijden er naar toe op een met gras begroeide weg waar niemand nog langs komt. Het dorp Ekobondo ziet er verlaten uit. Niemand meer om de stenen huizen, gekleurd zoals het tribunaal van Niangara, te onderhouden.We gaan, door het hoge gras, van de ene woning naar de andere. Op het terras van de woning van de oude Ekibondo, bevindt zich nog een kapotte Morris zetel. Niets meer. Ekobondo stierf twee jaar geleden en rust dichtij in een wit graf, te midden van welriekende appelsienenbomen. Vooraan is er een tafel met een lege fles, een teljoor en een trom. Allen hebben dat dorp verlaten, dit dorp met zijn mooi beschilderde muren.

En ik, een weg baanend door het hoge gras, in een indrukwekkende stilte van het einde van de namiddag, slechts onderbroken door een verbeginnend onweer, heb ik het beklemmend gevoel het domein van de doden te hebben geschonden.Enige tijd later bereiken we Dungu langs een lange en mooie stenen brug, met verschillende bogen,
in het midden gesteund door een grondverhoging aan de samenloop van de Dungu en de Kibali.In deze driehoek strekt zich het kerkhof uit, bereikbaar door een grote trap. Ook hier vindt men de geschiedenis terug van de Uele, door de namen geschreven op de hoge zwarte kruisen van gelijkvormige graven: stenen rechthoeken, gevuld met kiezel.Hier ligt Baert, de ongeluksvogel, die de Nijl-expeditie overnam na de dood van Van Kerckhoven, gestorven te Djebel Wati, op het meest kritische ogenblik van de Arabische aanvallen, de aanvallen van de Madhisten en de plaatselijke opstandelingen. Baert die hier stierf van hematurie alsook van uitputting.Eveneens Delbruyère, de held van Mundu, die hem volgde in zijn graf, na verloop van enkele maanden als postoverste van Dungu. Hier ligt eveneens Julien, die vermoord werd te Ekwanga door de opstandige Batetela, die zich terugtrokken naar Irumu. Eveneens Swelsen, kleine dappere sergeant, die slechts één jaar verbleef in Dungu vooraleer te bezwijken aan hematurie.

En verderop, te Doruma, Faradje, Redjaf, getuigen de graven van Van Holsbeeck, Janssens, Witterwulghe, Cajot, Coppejans, Sarolea van de zegerijke mars van Dhanis, Chaltin, Henry de la Lindi, die de fakkel overnamen van van Kerckhoven, Milz, Baert, die onze vlag plantten op de heuvel van Redjaf, verlaten door de Madhisten, en daardoor voor altijd de vrede verzekerden in de Uele.Van dit alles blijft nog over een eigenaardig middeleeuws kasteel te Dungu, gebouwd op de muren van Chaltin en dat de watervallen van de Uel domineert, met zijn vestingtoren en wachttorens, bewoond door vleermuizen.

Er blijft eveneens de vriendschap, gesmeed door de jaren tussen de Belgische gewestbeheerders en de grote chef van de Azande, Degpe, zoon van de fabelachtige Gilima, vijand en vervolgens bondgenoot, deze Degpe die ik ‘s anderdaags heb ontmoet op de plaats van Dungu toen hij uit een stationwagen stapte, gevolgd door een camion met politiemannen, om er één van de vele oeverloze discussies te beslechten met de overheden, palavers die trouwens doorgaans op de meest vriendschappelijke wijze verlopen.

De Koninklijke Weg ! Kan even worden vergeleken met de Romeinse Steenweg gaande van Bavais naar Aken doorheen onze Gallische provincies.

Ten koste van veel bloed en opofferingen bracht hij uiteindelijk vrede en welvaart, de Pax Belgica.

(Januari 1955)

Tot einde 1959 bleef de Oostprovincie kalm hetgeen de verdere algemene ontwikkeling zou bevorderen. Vanaf begin 1960 begon zich stilaan een reactie van zekere individus te voelen die verder na de Onafhankelijkheid tot uitbarsting zou komen.In ‘t begin echter van 1960, na de reünie van de Ronde Tafel in Brussel op 20 januari waarbij de
datum van de Onafhankelijkheid op 30 juni werd vastgesteld, werd stilaan een zekere nervositeit onder de bevolking vastgesteld veroorzaakt door de politieke leiders in Stanleystad.Patrice Lumumba die ik ontmoette tijdens mijn laatste inspectietocht in Yangambi en Basoko in mei 1960 waar hij, tijdens de voorbereiding van zijn verkiezingscampagne, het volk ophitste tegen de blanken, was niet vreemd aan deze toestand. Telkens richtte hij zich nadien persoonlijk tot mij om aan te
dringen te blijven na de Onafhankelijkheid. Onze veiligheid zou worden verzekerd...

Na mijn terugkeer in Stanleystad heb ik verder de dienst van provinciedirecteur verzekerd. Door de groeiende onzekerheid begon de uittocht van de blanken zich te voelen begin juni, om meer en meer uitbreiding te nemen tot een paniekstemming na de opstand van de Openbare Weermacht in Stanleystad op 7 juli.

Ik moet bekennen dat sinds begin 1960, bij het naderen van de Onafhankelijkheid, ik regelmatig, bij de controle van de kantoren, geconfronteerd werd met onderzoeken in verband met belangrijke geldverduisteringen gepleegd door onderpostontvangers aangesloten bij de Parti du Mouvement National Congolais, beter gekend onder de naam van M.N.C. Lumumba.

Op de dag van de Onafhankelijkheid werden deze allen vrijgelaten en allen kwamen me vinden om... hun dankbaarheid te betuigen. Ze waren er inderdaad in geslaagd de M.N.C.-kas te vullen om zich, dank zij mij, te kunnen uitroepen als martelaren van het Koloniaal regime hetgeen, in zekere gevallen, leidde tot een briljante politieke loopbaan.

De postontvanger van Stanleystad die reeds einde juni doodsbedreigingen kreeg, verliet onmiddellijk de stad; het personeel van het binnenland volgde in de loop van juli en begin augustus evenals deze van het kantoor van Stanleystad. De algemene toestand werd inderdaad ondraaglijk. Volgens schattingen waren er nog een tweehonderd blanken in Stanleystad begin augustus op een vroegere bevolking van meer dan vijfduizend.

Ik heb nog geprobeerd voort te leven in een klimaat van mishandelingen, geweld en willekeurige arrestaties in mijn kantoor, zonder aanhoudingsmandaat of enige verrechtvaardiging om tot het besluit te komen op 28 augustus Stanleystad te verlaten, als laatste postier van de Oostprovincie. De toestand was inderdaad onhoudbaar en, in mijn geval, was het onmogelijk geworden nog iets te doen.

Mijn Kongolese vervanger, die ook reeds een kort verblijf in de gevangenis had gekend, samen met enkele collega’s brachten me naar het vliegveld hopende me binnenkort terug te zien als de omstandigheden het zouden toelaten. Ik kwam inderdaad na zeven jaren terug in hoopvolle omstandigheden... maar helaas van korte duur...

En zo eindigde mijn vierde term in een complete chaos.

5- Vijfde term in Usumbura (januari - oktober 1961)

Tijdens mijn verlof, na mijn vierde term, werd me gevraagd in Usumbura een postschool te creëeren enkel en alleen bestemd voor de vorming van klerken voor Ruanda-Urundi.

Vóór de Onafhankelijkheid moesten de leerlingen uit dit mandaat-gebied zich inderdaad naar Leopoldstad begeven om er de lessen te volgen.Op het einde van de eerste sessie, op 8 juli 1961, ontvingen 27 laureaten, 11 uit Ruanda en 16 uit Burundi hun einddiploma en werden ze verdeeld onder de kantoren van het binnenland.

Door de Onafhankelijkheid van het gebied van Ruanda-Urundi op 30 juni 1962, en de splitsing in twee afzonderljke republieken werd overgegaan tot de oprichting van een postschool voor ieder van de nieuwe landen.Ik werd dan ook belast met de organisatie van een afzonderlijke postschool in Kigali voor Ruanda
en met behoud van deze voor Urundi in Usumbura.De volgende sessies telden respectievelijk 15 en 16 kandidaten.Begin oktober, na negen maanden, moest ik, om familiale redenen, een einde stellen aan mijn verblijf en liet de voortzetting over aan mijn opvolgers, om nadien mijn dienst in België te hervatten. De onderhandelingen, begin 1969, die de creatie van de O.C.P.T. voorafgingen met, van links naar rechts, uw dienaar met de vertegenwoordigers van Bell Téléphone: P.H. Spaak, Pepermans, directeur-generaal van Bell
Téléphone en Knaepen die als directeur-generaal van de O.C.P.T. zou worden aangesteld.


6- Mijn zesde en laatste verblijf in Kongo zou plaats vinden in hoedanigheid van U.N.O.-expert in de schoot van de Wereldpostvereniging of Union postale universelle (U.P.U.). Periode einde 1967 - begin 1970 met zending: Redresser le service postal au Congo. De toestand van de Kongolese post herstellen. Niet gemakkelijk. Deze zending was reeds voorafgegaan door anderen: Zwitsers, Tsjechen en Fransen. Allen hadden lange en geleerde verslagen achtergelaten die ik in schuiven vond en die duur hadden gekost en uiteindelijk tot niets hadden gediend.Daar de politieke toestand zich uiteindelijk scheen te normaliseren na de machtsovername in 1965 door Mobutu, deed het Gouvernement van de Democratische Republiek van Kongo in 1969 beroep op de onderneming Bell Telephone Mfg Cy om de P.T.T.-diensten te transformeren in Office congolais des Postes
et Télécoms (O.C.P.T.)

Met akkoord van de toenmalige Minister van P.T.T., Alphonse Zamundu, had ik een programma samengesteld om de terugkeer te voorzien van 32 oudpostiers, om hen te verdelen over heel Kongo. Dit gevraagde aantal werd teruggebracht tot 16, voor de helft oudkolonialen, en voor de andere helft niet-oudkolonialen, vervolgens verdeeld op basis van twee per provincie.Zes maanden later, toen ik een vergadering voorzat met Kongolese medewerkers, werd ik manu militari aangehouden en naar de Veiligheidsdienst gevoerd, waar ik in een kooi opgesloten werd samen met nog enkele gevangenen met als beschuldiging: 'La mentalité de Monsieur Gallant n'est plus d'actualité!’
en bijgevolg persona non grata verklaard.

Door de tussenkomst van Minister Harmel en P.H. Spaak werd de duur van dit wansmakelijk grapje beperkt tot enkele dagen en kon ik terug mijn dienst vervoegen, precies of er geen vuiltje aan de lucht geweest was. Nadien hebben mijn Kongolese collega’s me toevertrouwd, met beschuldigende vinger, dat het mijn fout was dat door de terugkeer van de Belgen, en daardoor de terugkeer tot de vroegere kolonialele organisatie, hun levenswijze totaal veranderde hetgeen voor zware financiële problemen
zorgde om hun familie te onderhouden.Rekening houdende met de levensomstandigheden sinds de Onafhankelijkheid heb ik begrip kunnen opbrengen voor hun houding tegenover mijn persoon en, per slot van rekening, een korte passage in een gevangenis is een bijkomende ervaring en maakt deel uit van een verblijf in dit land.

En, louter toeval, ik beëindigde mijn loopbaan van vijftien jaar de dag waarop ik de kooi moest delen met anderen. Dergelijk einde had ik trouwens, bij het begin van mijn loopbaan, nooit kunnen voorzien.

De zending O.C.P.T. heeft een langzame dood gekend en half 1973 verlieten de laatste postiers Kinshasa, het vroegere Leopoldstad. Bell Telephone stelde de onmogelijkheid vast verder te werken en trok zich eveneens terug met een zwaar financieel verlies.

Nadien heb ik nog enkele U.P.U.-zendingen uitgevoerd, o.a. in de Centraal Afrikaanse Republiek (2 maanden in 1975) waar men met grote ijver de feestelijkheden voorbereidde tot de kroning van Bokassa tot keizer en waardoor het hele budget van de Republiek er moest aan geloven.

Tijdens mijn debriefing, na mijn terugkeer, in Bern benadrukte ik dat dergelijke zendingen in Afrikaanse landen geen zin meer hadden, hetgeen niet bijzonder werd gewaardeerd door de aanwezige Afrikaanse U.P.U.-ambtenaren. Ik deed later eveneens een zending in Laos, vanwaar ik enkele stagiaires naar Rusland kon sturen.

Van deze laatste zending onthou ik nog volgende anecdote. In november 1977 was ik in de hoofdstad Vientiane waar met veel luister de 60e verjaardag van de Russische Revolutie herdacht werd. Ik werd op de feestelijkheden uitgenodigd en had de gelegenheid de personaliteiten te herinneren dat het wereldgekende
strijdlied “Internationale” het werk was in 1871 van de Belg Pierre Degeyter °1849. Moest deze Gentenaar weten dat, na zoveel jaren, een prachtig Laotiaans zangkoor met zoveel overtuiging uit volle borst en met spleetogen herleid tot een spleet zijn lied zongen, riskeerde hij zich om te draaien in zijn graf.

Uiteindelijk heb ik drie zendingen uitgevoerd in Vietnam tijdens de periode 1973 - 1977, waarvande twee eersten in de Republiek van Zuid-Vietnam (Saigon), en de laatste in Hanoi met een totaal van 18 maanden en gedurende dewelke ik tot tweemaal toe door de oorlogsomstandigheden werd gekwetst. De eerste zware verwondingen deden de uitvoering van mijn tweede zending met zeven maanden vertragen. Doel van de zending: de chaotische toestand van de Posterijen van Vietnam herstellen.

Niettegenstaande deze bijzondere toestand in Vietnam schijnt het misschien ongelooflijk maar de zendingen werden met zeer gewaardeerd succes bekroond en ik ben tot op heden nog steeds in contact met mijn oudhomologen die altijd blijk gaven van bewonderingswaardige motivatie.

De val van Saigon op 30 april 1975 maakte een einde aan mijn tweede zending in Vietnam. Ik verliet Saigon in een paniekerige sfeer met de laatste helikopter van het vliegdekschip Midway dat in de Chinese Zee kruiste.

Toen we op een zekere hoogte waren werden we beschoten door het luchtafweer van de Vietcong waarop de Marines riposteerden. Het is me bijgebleven hoe kalm en gelaten wij samen met een zestigtal Vietnamese vluchtelingen het einde van de schietpartij afwachtten vooraleer we veilig op het dak van de Midway konden landen. Toen ik, twee jaar later, dit feit ophaalde tijdens mijn derde zending, verzekerden de Communisten mij dat het uitzonderlijk was en de fout lag bij enkele onverantwoordelijken... Dertig jaar ononderbroken oorlog met driemiljoen Vietnamese slachtoffers, vierenvijftigduizend Amerikaanse gesneuvelden zonder te spreken over de tienduizenden gekwetsen, enz.

Ik moet bekennen dat ik lange tijd nadien getraumatiseerd bleef door de toenmalige belevenissen en ik verkies me te onthouden daar verder op in te gaan.

Ontroerd door zoveel ellende hebben we, bij onze terugkeer, niet getwijfeld ons te ontfermen over vier jonge Vietnamese weeskinderen door ze op te nemen en in ons land hun studies te laten verder zetten en hier hun eigen leven te maken. Een heel positieve ervaring.

In 1977 werd ik gesolliciteerd om voor de derde maal naar Vietnam terug te keren, dit maal door het Communistisch gouvernement, om doorheen heel Vietnam een prospectiereis te doen teneinde een verslag op te maken voor het algemeen herstel en organisatie van de Postdiensten. In Hanoi, hoofdplaats van de nieuwe Republiek werd ik, tot mijn grote verwondering, ontvangen met militaire eer. Zonder het te weten was ik inderdaad de eerste U.N.O.-expert die terugkwam na de oorlog, en dit na de hereniging van
Noord- en Zuid-Vietnam.

Na een bezoek aan de voornaamste centra waar ik overal met veel eerbetoon werd ontvangen, was ik onder de indruk van de grote motivatie van het nieuw Communistisch gouvernement om de algemene verwarde toestand met strenge hand te normaliseren en deze van de post en de communicatiemiddelen in ‘t bijzonder.

De veiligheid was nog niet helemaal hersteld zodat ik, gedurende de ganse duur van mijn verblijf de tegenwoordigheid moest verdragen van twee lijfwachten. Toen ik op een avond de onvoorzichtigheid beging daaraan te ontsnappen, werd me dit fataal en moest ik, na lichte verwondingen, wat worden opgelapt.

Bij mijn vertrek na deze laatste zending einde 1977 had ik veelbelovende indrukken geschreven in het gulden boek om te eindigen met volgende zin: ‘Vous avez gagné la guerre, maintenant il faut gagner la paix’. (jullie hebben de oorlog gewonnen, nu moet de vrede worden gewonnen).

Vietnam kende op dat ogenblik grote ravitailleringsproblemen daar de rijstoogst mislukt was.

Bij mijn thuiskomst opende ik de televisie en toevallig had ik de gelegenheid een uitzending te zien over de weight watchers. Zwaarlijvige personen die met veel moeite erin geslaagd waren een tiental kilo’s te verliezen dankzij grote opofferingen en door zich te priveren van zoveel goede dingen, werden met veel handgeklap gefeliciteerd en aangemoedigd door al hun soortgenoten.

Hoofdschuddend heb ik onmiddellijk een ander programma gekozen en gedacht aan het Vietnamese volk en aan vele anderen die gespaard zijn van dergelijke problemen en die geen behoefte hebben vermageringscursussen te volgen.

Ik kan niet nalaten mijn ervaring in Vietnam af te sluiten met volgende belevenis.

Tijdens mijn laatste briefing in de zetel van de Wereldpostvereniging (U.P.U.) in Bern vroeg een ambtenaar die eveneens deel uitmaakte van een medische groepering tot bestrijding van de lepra me om tijdens mijn zending in Vietnam inlichtingen te nemen over deze ziekte.

In Hanoi had ik de gelegenheid de betrokken minister te contacteren over de eventuele mogelijkheden tot hulpverlening. Hij zou alle medische gespecialiseerde hulp erg waarderen. Ik kreeg echter niet de gelegenheid het leprakamp van Hung Yen te bezoeken. Bij mijn terugkeer gaf ik daarover een verslag en het was met een zekere voldoening en waardering dat ik, twee jaar later, vernam dat een Zwitserse medische zending werkzaam was in het betrokken gebied. Een onrechtstreeks gevolg na een postzending..

Ik ben, 23 jaar later, als toerist teruggekeerd naar Vietnam om er een land terug te vinden in volle evolutie dat ik in optimale omstandigheden heb kunnen bezoeken. Het communistisch regiem scheen erg geliberaliseerd. Ik werd eveneens door de Minister van P.T.T. en mijn vroegere homologen hartelijk ontvangen, die me bevestigden tot mijn grote voldoening, dat vele elementen samen besproken tijdens mijn vorige zendingen, werden weerhouden en uitgevoerd. Onwillekeurig probeerde ik een vergelijking te vinden
met deze in Afrika.

Ik ontmoette eveneens de ambassadeur van België in Hanoi die me bevestigde dat het werk uitgevoerd door een tweehonderdtal landgenoten, door de plaatselijke autoriteiten erg gewaardeerd werd. Ik moest er nog onwillekeurig aan terugdenken dat toen ik in 1977 mijn laatste zending uitvoerde, er op uitzondering van de toenmalige ambassadeur, Burggraaf Vilain XIV, er geen enkele Belg meer in Vietnam vertoefde.

Nadat ik mijn dienst hernomen had in Brussel, op de directie, waar ik in aanmerking kwam voor een promotie, was ik verwonderd welke criteria in aanmerking kwamen voor het toekennen van benoemingen.

Daar ik niet kon tellen op enige politieke steun, heb ik niet aangedrongen en mijn pensioen aangevraagd op 60 jaar. Het mag niet ontkend worden ‘qui va à la chasse, perd sa place of Opgestaan, plaats vergaan...’.

Na de val van Saigon, op 30 april 1973, een cruiseop de Chinese Zee op het vliegdekschip-Midway, 65.000 T., 4.500 man, vliegdek1,62 ha, enz.Het einde van een vreedzame postmissie...

November 1977.
Het terugzien met mijn vroegere homologen
in Saigon.

MIDWAY
gets it
together
Betekenisvolle slogan van de Midway

De oorlog in Vietnam, de Amerikaanse militaire tussenkomst en de postzegels...

Volgens officiële bronnen van de Demokratische
Republiek van Vietnam (Hanoi) werden, tijdens de
periode van 5 augustus 1964 tot 27 januari 1973, een totaal van 4181 militaire Amerikaanse vliegtuigen vernietigd. Iedere schijf van 500 neergehaalde toestellen werd het voorwerp van het uitgeven van een bijzondere zegel of een serie zegels. Het Amerikaanse Opperbevel gaf toe, gedurende zijn tussenkomst, niet een totaal van 4.181 vliegtuigen te hebben verloren, maar wel van 4.783...

About Us | Site Map | Privacy Policy | Contact Us | ©2001-2012 Congo-1960