
Pater Maes in Congo
Mijn eerste stappen (1947-1948)
Mensen op leeftijd hebben nogal eens de euvele moed om hun omgeving aandacht te vragen voor het ophalen van hun oude herinneringen. Ook mij overkwam dat de laatste jaren wel eens. Opmerkelijk is daarbij dan wel dat sommige toehoorders er op aandringen om dat alles eens op schrift te brengen, iets waaraan ik totnogtoe nooit gevolg heb gegeven. Het ging immers alleen maar over louter persoonlijke belevenissen, die de gang van zaken op de missie en de geschiedenis van deze laatste in geen enkel opzicht hebben beïnvloed. Indien ik nu wel een schuchtere poging in die zin onderneem, weet ik eigenlijk zelf nog niet goed waarom. Wellicht bedoel ik daarmee iets op te roepen van de sfeer en ook iets van de situatie waarin een handvol geestdriftige jonge missionarissen, boordevol goede wil, maar totaal onervaren, onbeholpen en onvoorbereid, zelf hun weg moesten gaan zoeken in de jungle van een gans vreemde cultuur. Bovendien ben ik wellicht nog één der laatste getuigen van een onherroepelijk vervlogen tijdperk. Soms denk ik eraan dat het wel gauw een halve eeuw geleden zal zijn, dat ik hier mijn tenten opsloeg. En, bij mijn eerste aankomst in 1947 waren de Passionisten nog maar een 15 jaar werkzaam in de Sankuru-missie. Kongo was nog niet eens 40 jaar Belgische kolonie. Zo voel ik me eigenlijk niet zo ver verwijderd staan van de eerste missionarissen. Wellicht draag ik in mij nog enkele resten van een legendarisch verleden.
Voorgeschiedenis: mijn roeping
Beter spreek ik niet van mijn missieroeping, vermits ik die waarschijnlijk niet had. Voor mijn eerste communie sprak ik er wel over dat ik Pater wilde worden; in geen geval een pater op blote voeten, want ieder weekend zag ik op onze parochie de bruine paters van Turnhout, barrevoets, ook in het hartje van de winter over sneeuw en ijs, rondgaan. Dat was niets voor mij. Ik voelde mij veel meer aangetrokken tot de Picpussen, omwille van mijn sympathieke dorpsgenoot Pater Van Beurden, de latere missiebisschop van Kole. Deze had mij trouwens al ingeschreven voor hun school. Daarbij had hij mij een korte levensschets gegeven van Pater Damiaan De Veuster, en dat had mij een vaag verlangen ingegeven om ook bij de melaatsen te gaan werken.Toen daagde een Passionist op in mijn leven: een pater met een grote plaat op zijn zwart habijt, een stuurse verschijning. Op school kwam hij in onze klas spreken over Jezus Gekruist en over St.Paulus van het Kruis en andere dingen die kinderen niet interesseerden. Daarna moest de hele klas zijn naam en adres luid opzeggen: Pater Alfons! Passionist! Sint-Katelijne-Waver!!! Tenslotte vroeg hij wie van ons priester wilde worden. Vermits ik was ingeschreven bij de Picpussen, stak ik mijn vinger in de hoogte. Na schooltijd kwam hij bij ons langs, en hij zei dan dat ik Passionist moest worden. Ik had zulk een heilige schrik van die mens dat ik niet neen durfde zeggen. Daarmee was ik tegen mijn zin uitgeleverd aan die strenge Pater Alfons Muylaert (1887-1970). Daarbij was deze nog zo snood geweest om zich te presenteren in kousen en schoenen. Hij zegde me dat ik later een groot predikant moest worden, en om mijn borst te ontwikkelen moest mijn moeder die elke avond inwrijven met koud water. Voor moeder was dat evangelie, en elke avond moest ik onder de pomp, iets waarvoor ik echt een hemelse schrik had.Op mijn elfde jaar leverde vader mij te Mechelen over aan Pater Alfons. Al de nieuwen van het bisdom Mechelen moesten hem daar voor het station opwachten. En wat zie ik daar opeens? Uit een bus of een tram komt Pater Alfons gestapt ... barrevoets! Ik kijk naar vader en vader kijkt mij aan. Kom maar jongen, zei hij, we gaan terug naar huis. Maar ik antwoordde: We zijn nu toch zo ver, pa, ik zal maar meegaan. Wonderlijk genoeg heb ik daar nooit spijt over gehad. En die blote voeten zijn mij niet in het minst een hindernis geweest voor wat mijn roeping betreft.Sindsdien verliep mijn jeugd in het strenge kader, eerst van het juvenaat, en dan van het noviciaat en van de verdere priesterstudies, en wel zonder noemenswaardige voorvallen. IJverig bereidde ik mij er op voor om in de lijn van ons charisma, een groot predikant te worden. Sinds lang echter had ik die nare borstwassingen achterwege gelaten. Op de dag van mijn priesterwijding openbaarde vader me een groot geheim dat mij nooit was verteld om mijn roeping niet te beïnvloeden. Jongen, zei hij, toen je één jaar oud was, op een koude winteravond, was je stervensziek. Dan heb ik je in een deken gewikkeld en ik ben zo naar het kapelletje gelopen, dat van de heilige martelaar van ons dorp, Nicolaas Poppelius, en ik zegde: Als mijn kind geneest, mag hij later, als hij wil, priester worden. En een paar dagen later was je genezen. Nu eerst begreep ik waarom mijn ouders zich nooit tegen mijn roeping hadden verzet en moedig de financiële offers hadden gebracht voor mijn priesterstudies.
Augustus 1947
Enkele maanden na mijn wijding, in augustus 1947, riep Pater Provinciaal Bernardus Vandenberghe (1912-1993) mij naar Kortrijk. Het was dus zo ver: eerst zou ik enkele jaren leraar zijn in het juvenaat, om nadien gelanceerd te worden in de predikatie! Zo tenminste had ik het me voorgesteld, maar ... Pater Bernardinus viel met de deur in huis: Pater Koenraad! Dat is wel! Je bent bestemd voor Kongo, en je zal vertrekken op 18 september. Ik duizelde, maar men had ons geleerd dat God zelf sprak door de mond van de overste, en daaraan geloofde ik nog. Dan volgde een korte diskussie over de zo nabije vertrekdatum en de voorbereidselen. Nu, aan die datum kon nog wel iets veranderen.Tien minuten later verliet ik de kamer van de Provinciaal, en toen eerst realiseerde ik mij mijn stommiteit: in tien minuten tijd had ik beslist over het verdere verloop van mijn leven! Dan begon ik in de gang te wenen. Toevallig passeerde daar de overste Pater Hilarion Vanlaer (1914-1970). Hij nam me mee naar zijn kamer en trachtte mij wat op te beuren. Slechts veel jaren later heb ik ingezien dat die keuze van God de goede keuze was, en dat mijn plaats in Kongo was en dat ik me nergens zo had kunnen ontplooien als hier in Kongo-Zaïre.Pater Gerard Vanden Broeck (1883-1959), zorgde als missieprocurator voor mijn equipement, aan de hand van een prospectus. Daarop stonden naast ondergoed en kaki-kostuums, ook laarzen vermeld, die ik later nooit gedragen heb, en vooral: één paar hoge en twee paar lage schoenen. Maar, zei Pater Gerard, en hij kon het weten, je neemt beter twee paar hoge en één paar lage schoenen, in verband met de broesse daar. Ik heb nooit die hoge schoenen gedragen.Intussen zette ik me naarstig aan de studie van het Otetela. En mijn eerste professor daarvoor, men kan het geloven of niet, was Broeder Eugeen Van Hul (1922-1989). Die had toen al lang zijn zinnen gezet op Kongo, maar daarheen zou hij pas twee jaar na mij vertrekken. Hij had, wie weet van waar, een woordenlijst bijeengekrabbeld, en hij leerde me die vlijtig aan. Maar, naar de latere resultaten te oordelen, namelijk wanneer je Broeder Eugeen hoorde praten, leek het er op dat die vlijt, voor wat hem zelf betrof, met de jaren toch wel wat was afgenomen.
Naar Congo
Op 10 december 1947 vertrok ik uit Antwerpen samen met Pater Frans Wouters (1905-1977). Het werd een reis van 15 dagen op de "Mar del Plata", met 250 passagiers waaronder 14 missionarissen. Bij die oudere missionarissen, toen mensen van ongeveer 40 jaar, hadden de paar nieuwkomers niet veel in te brengen. Als regel gold dat men pas na tien jaar Kongo zijn mond mocht opendoen. Het was ook opvallend dat die missionarissen de strafste eters waren in het driesterrenhotel van onze boot, net of ze jaren lang op hun kin hadden moeten kloppen.Kerstnacht vierden we nog aan boord, en op Kerstmis zelf stapten we de procuur van de Redemptoristen binnen. Daar maakte ik kennis met die wondere vrucht die me in heel mijn verder missieleven zou rechthouden: de papaja. Een oude Redemptorist leerde me hoe ik die moest eten: die zwarte zaadjes, daar komt het op aan, de rest kan je wegwerpen. Ik vond die smaak maar zo en zo, tot ik in de gaten kreeg hoe iedereen aan tafel met geniepig leedvermaak mijn vreemde ervaring volgde.'s Anderendaags ging het dan met de witte trein naar Leopoldstad langsheen de nette stationnetjes. Toen we in Kisantoe aankwamen zei Pater Frans: Kom, we blijven hier een paar dagen op de missie van de Jezuïeten, want we moeten toch nog acht dagen wachten op de kleine boot in Leopoldstad. In Kisantoe troffen we een mooie missie aan met een machtige kathedraal in baksteen. Verder bezochten we de steenovens, de beroemde tuin van Br. Gillet en een prachtige veestapel van zowat 6000 beesten. Mgr. Verwimp nam ons in zijn auto mee om zijn grootseminarie in Mayidi te gaan bezichtigen.
Naar het binnenland
Een trein bracht ons verder naar Leopoldstad waar we logeerden op de gloednieuwe procuur Ste.Anne van de Scheutisten. Enkele dagen nadien scheepten we in op de kleine boot, een steamer die ons in negen dagen over de Kongostroom en over de Kasai naar Port-Franqui (Ilebo) zou varen. Iedere avond legden we aan bij een houtpost, waar voor de steamer gedurende twee uur lang, door zingende sjouwers brandhout werd ingeladen. We meerden ook aan bij een paar missieposten, onder meer in Mushie, waar mijn dorpsgenoot, de oude Pater Bax pastoor was. Hij kwam ons op de boot begroeten en hij maakte me aanstonds vertrouwd met de plaatselijke geplogenheden. Ik mocht voor al de paters een glas bier gaan bestellen in de bar.Opdat ons vaartuig niet op zandbanken zou vastlopen, had vooraan op de steamer een peiler plaatsgenomen met een lange stok, en regelmatig riep hij de diepte van het water. Intussen schoven de donkergroen beboste boorden van de stroom langs ons voorbij, en het onbarmhartig klimaat begon het zweet uit ons lichaam te persen. Op 14 januari legden we aan in Port-Franqui, en we zochten er voor de nacht een onderkomen in de eerder arme en bescheiden missie van de Jozefieten. De dag daarop had een moeizaam voortkruipende trein van de B.C.K. die vuile rook en gensters de lucht inspuwde, een volle dag nodig om ons naar Luluaburg (Kananga) te puffen. Daar viel ons een gastvrij onthaal te beurt op de procuur van Scheut. Van daar uit liepen onze wegen, die van mij en die van Pater Frans, uiteen. Ik zou naar Lodja reizen, 450 kilometer ver met de kamion MAS die ook als postwagen dienst deed. Pater Frans zei: Zo moet jij maar eerst de religieuze overste in Lodja gaan groeten, en je zal er je bestemming vernemen. Maar, ik ga met een andere kamion MAS over Lusambo, recht naar mijn missie Lubefu, want anders zouden ze me wel eens kunnen verplaatsen.Op 17 januari, we zaten inmiddels in 1948, ondernam ik de lange reis in de cabine van de kamion, gezeten naast de chauffeur. Overal in de dorpen tussen de palmbomen wuifden de kinderen naar ons. 's Avonds rond half zes en na 240 kilometer hield de chauffeur halt nabij de kleine broesse-post Bena-Tshadi. Hier overnachten, zei hij, en morgen om zes uur trekken we verder over Bena-Dibele naar Lodja. Goed en wel, maar waar moet ik overnachten? Geen probleem! zei de man, daar staat de gîte waar de blanken altijd logeren. Ik doorzocht het huis: er stonden een tafel, een paar stoelen en ook een bed in bamboe, maar wel zonder matras of beddegoed. 't Was maar een benarde situatie. Maar na ongeveer een kwartier hoorde ik een motor ronken. Het was een jonge katoen-agent, mijnheer De Pessemier, die zijn post kwam ophalen. Hij ontfermde zich over mij, en hij nam me mee naar zijn woning bij zijn vrouw en hun eerste kindje. Ik bracht er een aangename avond met hen door. Dan bracht De Pessemier me terug naar de gîte en hij gaf me de matras en het beddegoed die hij had meegenomen.Het was een wat onrustige nacht voor mij, en reeds voor vijf uur in de morgen had ik al mijn miskoffer en alle benodigdheden op tafel geïnstalleerd. Maar, ik had geen water voor de mis. Met behulp van een flitslamp zocht ik me een weg naar het nabije gehucht, op een honderd meter vandaan en ik klopte aan bij de eerste hut. Een oud vrouwtje opende de deur op 'n kier, en wellicht meende zij een spook te zien, want ze sloeg gauw de deur weer dicht. Bij een volgende hut deed een jongen open. Met mijn ampulletje beduidde ik hem dat ik water nodig had. Hij haalde een kalebas met water uit zijn hut te voorschijn, en ik deed hem teken mij te volgen, want zonder misdienaar mocht men geen mis lezen. De aanwezigheid van die jongen leek mij voldoende, ook al was hij dan een heiden. Ik begon dan de mis bij het schijnsel van een kaars. Van op een veilige afstand keek de jongen achterdochtig naar heel dat vreemd gedoe, voor hem wellicht een vorm van tovenarij. Opeens, precies om half zes en na de consecratie, hoorde ik een motor ronken: de MAS, mijn kamion was er vandoor, zonder mij. Daar stond ik dan na de mis, heel alleen. Wat nu gedaan? Geen nood. Rond 7 uur kwam De Pessemier zijn beddegoed ophalen, en hij nam me weer mee, voor het ontbijt. Daarna zei hij: Kijk, ik moet toch Pater Raymond eens gaan bezoeken in Bena-Dibele: ik breng je er wel naar toe. Wat voelde ik me opgelucht.Rond tien uur in de morgen zien we onderweg onze kamion MAS met veel volk er om heen, druk in de weer. We vernemen dat een paar dagen tevoren een geweldige tornado een twintigtal bomen heeft uitgerukt die op de weg zijn terechtgekomen. De mensen uit de dorpen in de omtrek waren opgevorderd om alles te komen doorzagen en uit de weg te ruimen, onder de leiding van de blanke staatsagent van Bena-Dibele. Plots zien we in de verte een troep mannen aangelopen komen, met naast hen politiemannen met een blauwe fez op het hoofd. Eén van hen vraagt iets aan de blanke die knikt. En dan ben ik getuige van een gebeuren dat ik later nooit meer zou zien. De politiemannen smakken een eerste man tegen de grond, stropen zijn broek naar beneden en één van hen geeft hem enkele zweepslagen. De arme man jankt van de pijn. Daarna ondergaan nr.2, nr.3 en al de anderen, zo een vijftiental, hetzelfde lot. Sommigen geven zelfs geen kik, terwijl anderen het reeds uitschreeuwen, nog voor de slagen vallen. Ik vroeg me af in welk land ik hier wel was terechtgekomen. Het ging om mannen uit 'n dorp, die daags tevoren geen gevolg hadden willen geven aan de opvordering in verband met de uitgerukte bomen. Later heb ik me dikwijls afgevraagd wat die mensen wel moeten gedacht hebben, dat een Pater getuige was van het gebeuren, zonder tussenbeide te komen. Want nadien heb ik vernomen dat het mensen van de Idanga-stam waren, die volgens Pater Daniël Tack (1903-1971), in die tijd zo wat onze beste christenen waren.Het zag er niet naar uit dat de kamion MAS diezelfde dag nog verder zou kunnen rijden. Maar aan de andere kant van de reeks omgevallen bomen, zag ik de camionnette staan van een zekere mijnheer Peters uit Bena-Dibele die op weg was naar Luluaburg. Hij nam me met mijn koffers mee in zijn wagen, en bracht me over de brede Sankuru-rivier naar de missie van Bena-Dibele, waar ik in de namiddag van 18 januari aankwam. De missiepost daar was toen nog maar in voorlopig materiaal opgetrokken. Ik was blij er confraters aan te treffen, waarvan ik sommigen zelfs niet kende, onder meer Pater Raymond Halkett (1904-1964), en ook de religieuze overste Pater Benedictus Weetjens (1902-later uitgetreden) en Broeder Paul Boodts (1912-1969) die met hun camionnette (toen de enige in het bisdom) naar Bena-Dibele gekomen waren.Na een weldoende nachtrust, ging het 's anderendaags per camionnette naar Lodja, 150 kilometer ver, met Broeder Paul en Pater Benedictus in de cabine, en ik achteraan. Gedurende de hele reis was ik ziek van het stof en van de uitlaatgassen; ik moest er van braken, maar onbarmhartig ging het verder. Ik slaakte een zucht van verlichting toen we die zondagnamiddag de brede bomenlaan opreden naar de missie van Lodja. De paters waren buiten met enkele blanken aan het kegelen. Het overviel me dan ook als een koud stortbad dat eerst niemand zich bekommerde om die nieuwkomer en dat zij maar voort kegelden. Tenslotte ontfermde Pater Eugeen Heynen (1919-1981) zich over mij en hij bracht me naar mijn kamer.Al de volgende dagen zette ik me ijverig aan de studie van de taal, zonder leraar en met veel moeite, met als enige handleiding de oude grammatica van Pater Handekeyn en een onooglijk hygiëne-boekje "Français-Otetela". Na ongeveer een week hard blokken, kwam op zeker ogenblik Pater Benedictus me roepen voor een doopsel: Zie je ginds die vrouw aan de kerkdeur staan? Ga haar kindje maar dopen. Maar ik kan dat niet, ik heb het nog nooit gezien. Volg maar op wat in je rituaal staat. In die tijd was alles nog in het Latijn. In superpli en met stola, het rituale in de hand en met naast mij een misdienaar, schreed ik naar de ingang van de kerk. Naast de moeder stond er een peter, de katechist: die was dat gewoon. Ik vroeg aan de moeder of het een jongen was ofwel een meisje. Kijk maar, liet ze me zien, en er was geen twijfel mogelijk. De ceremonie begon met het uitdrijven van de duivel, wat ik deed met de geijkte Latijnse formule, waarop onmiddellijk effect volgde, namelijk een straal water die op mijn nieuwe schoenen terecht kwam
Naar Lubefu
Eind januari vertrok ik in een gelegenheidsvoertuig naar mijn eerste bestemming Lubefu: daar was ik tot reispater benoemd. Op de grote bakstenen missie van Tshumbe, dat op onze weg naar Lubefu lag, gaf de bisschop me wat vaderlijke raad. In Lubefu aangekomen, een kleine gezellige missie, trof ik weer Pater Frans Wouters aan, samen met de eerste jonge abbé Victor Wandja, één en al vriendelijkheid. Pater Rudolf Pycke (1898-1954) en Broeder Gaston Trappeniers (1909-1961) waren nog met verlof. Officieel was ik dus reispater, maar Pater Frans zei dat er van reizen voorlopig geen sprake was. Buiten mijn studie van het Otetela, zou ik de keuken wat in de gaten houden, de hof en de steenoven. Wat kende ik in Gods naam over steenovens? Toch deed ik trouw iedere morgen mijn rondwandeling, en tegen de avond gingen we al eens zwemmen in de grote beek waarop de turbine was gebouwd. Na schooltijd ging ik regelmatig naar het jongensinternaat van de lagere school om in onbeholpen conversaties mijn Otetela in praktijk te brengen, want tegenover kinderen hoef je niet verlegen te zijn om fouten te maken. En inderdaad die kinderen hielpen me ijverig.Na enkele weken kregen we Pater Benedictus, de religieuze overste op bezoek. Hij vroeg aan Pater Frans of er geen fiets was voor die jonge Pater. Neen! Voor zijn afreis naar België had Broeder Gaston wijselijk zijn fiets gedemonteerd om hem, na zijn verlof, ongedeerd terug te vinden. Steek die fiets ineen voor die jonge Pater, zei Pater Benedictus. Pater Frans kon zo wel niet anders, en ook ik kon nu al eens wat rondfietsen in de omgeving. Op een dag, heel vroeg in de morgen en bij een heldere maneschijn, reed ik bergop naar het zusterklooster toe, om er de mis te lezen. En opeens, ploef! ik hing met mijn hoofd over het stuur. Ik was tegen een verdoken boomstronk gebotst, en het voorwiel stond paraplu... Zie je wel dat Broeder Gaston gelijk had, zei Pater Frans. De dagen nadien deed hij het onmogelijke om alles terug in orde te krijgen, maar het is nooit weer de oude fiets geworden. Nadien heb ik van Broeder Gaston één en ander mogen horen.In de maand mei van dat jaar 1948 werden we vereerd met het bezoek van onze Generale Consultor, Pater Martinus Bosmans (1901-1948), die een paar weken later de vliegtuigramp van Libenge niet zou overleven. Opeens stond hij daar om half negen 's avonds, en hij wilde meteen nog diezelfde avond de visitatie openen met het traditionele "Libera" voor de overledenen. Het was te laat om de zusters nog lastig te vallen voor het opstellen van de katafalk. Maar geen nood! Volgens de Consultor mocht dat ook gebeuren rond een zwart kelkvelum uitgespreid op de vloer in het kerkkoor. De haastig opgeroepen misdienaars rukten aan met wierookvat, wijwater en kaarsen. Achterdochtig keken zij naar dat ding op de grond waarrond wij stonden te zingen, en wellicht vroegen zij zich af wat soort toverij daaronder verscholen lag.Na een dag al kwam Pater Martinus die zich verveelde me uit mijn kamer halen voor een wandeling rond de missie. We bestegen de heilige berg langs de weg die leidde naar de Zusters Passionisten die daar een dispensarium hadden en er ook met een moederhuis begonnen waren. Onderweg kwamen we voorbij het wachthuis waar de toekomstige moeders hun bevalling afwachtten. Onbeschroomd kwamen die vrouwen daarvoor uit en ze lieten alles zien. Toen we wat verderop waren zei Pater Martinus: Paterke, moesten we dat in België zien, dan zouden we te biechten moeten gaan ... Van die visitatie herinner ik me één besluit: elke eerste zondag van de maand moesten we om beurt de recollectie aan elkaar preken. De eerst volgende keer las Pater Frans me voor uit de omzendbrief van de Generaal Pater Leo over de Passie. Anders zal je dat toch nooit lezen, zei hij nog. De maand daarop las ik voor uit de "Exhortatio ad clerum" van Pius X. Zo stonden we effen, en later heb ik niet meer horen preken.Een paar dagen voor het Pinksterfeest nadien zei Pater Frans 's middags aan tafel: Vandaag om half drie komen de schoolkinderen te biechten, en jij kan daar in de biechtstoel aan de epistelkant aan mee helpen. Geen kwestie van, zei ik, ik ken de taal nog niet. Tut! Tut! zei Pater Frans, je spreekt al heel goed met de kinderen. En daarbij in het gebedenboekje staat heel de lijst van zonden duidelijk aangegeven. Trouwens, ze vertellen toch allemaal hetzelfde. Protest baatte niet. Ik studeerde de zondenlijst in, en schreef op een blaadje een vrome gedachte over de Heilige Geest, die ik van buiten leerde om ze elke biechteling voor te houden. Om half drie meldde nr.1 zich aan. Ik begreep niets van zijn verhaal. Ik vroeg hem om het te herhalen, maar dan verstond ik er nog minder van. Ik was zo verbouwereerd dat ik mijn versje op slag vergeten was, en gauw zei ik maar: Voor je penitentie drie weesgegroeten.Bij nummer twee en de volgenden ging het precies eender. Opeens kregen ze aan de overkant in de gaten dat het bij die nieuwe veel vlugger ging. En tot mijn grote ontsteltenis liep bijna heel de evangeliekant over naar mij toe. Na het hele gebeuren deed ik mijn beklag bij Pater Frans over die ongeldige biechten. Hoezo? antwoordde hij, denk jij misschien dat Ons Heer geen Otetela verstaat? Ik neem alles op mij. Sindsdien werd ik regelmatig ingeschakeld en na een paar keren vlotte het al heel wat beter.Toen kwam de bisschop op bezoek. Wat zit jij hier te doen? snauwde hij me toe, je plaats is in de broesse! Ja! Maar ik ken de taal nog niet. Tut!Tut!Tut! Lubefu zit al een jaar zonder reispater. Deze week nog ga je op reis, begrepen? Toen de bisschop nog maar goed weg was, zei Pater Frans: Trek het je niet aan, blijf maar hier. Drie weken nadien was er weer bisschopsbezoek. Ik kreeg een strenge terechtwijzing. Pater Frans moet ook hard aangepakt zijn geweest, want 's anderendaags zei die mij: Deze week vertrek je naar Djekadeko, 45 kilometer hier vandaan, langs de weg naar Lusambo. Daar is een school met twee onderwijzers. Je laadt je koffers en je fiets op de kamion van mijnheer Deckers die je daar wel zal afzetten. Je blijft daar een week zitten, en je komt met dezelfde kamion terug.De reiskok van Pater Frans, Mbale Louis, kwam de reiskoffers klaar maken: de bedkoffer, de keukenkoffer, de miskoffer, persoonlijk gerei, wat zeep en zout, en de fichen van de christenen ginds. Een paar dagen later passeerde mijnheer Deckers met zijn kamion. Mbale Louis en de reiskatechist Lushima Gabriël laadden mijn fiets en heel mijn verhuis op de kamion, en zo startte mijn eerste broesse-reis. Rond half negen 's avonds stopten we nabij Djekadeko. De onderwijzers hielpen bij het afladen, en wat bleek? Louis was vergeten mijn bedkoffer op te laden. De onderwijzers leidden me naar de kamer voor de pater ... zonder bed, met alleen maar een tafeltje en een stoel. Ik vroeg hoe zij sliepen. Op een biezen mat. Kan ik er ook zo één krijgen? Dat kon. Ik spreidde ze uit op de vloer van gestampte aarde. Maar van slapen kwam niets in huis. Mijn knoken deden overal pijn. Ik ben dan na middernacht maar opgestaan, en ik heb een paar uur met mijn paternoster op de speelplaats in de maneschijn over en weer gewandeld. 's Morgens las ik de mis en hield ik mijn eerste preek die ik een weken tevoren moeizaam had opgesteld, maar die ik toch met veel overtuiging aflas.Na de mis zei de onderwijzer me dat er een paar kilometer verder een inlandse chef de secteur woonde, een oud-onderwijzer die de missie zeer genegen was, en dat we die misschien konden gaan groeten. Na een paar minuten al, kwamen we die chef tegen, die op weg was om de pater te komen groeten. Ik vertelde hem mijn nachtelijk wedervaren. Geen probleem! In de gîte voor de blanken op zijn post, stond een volledig bed met bijbehoren. Hij liet dat alles aanstonds naar de school brengen, zodat ik een hele week behoorlijk kon slapen. De reispater was ook directeur van de buitenscholen, waar heel het onderwijs in de moedertaal werd gegeven. Al verstond ik er niets van, toch ging ik enkele lessen bijwonen en zag ik enkele klasdagboeken na. In die tijd was handwerk een hoofdvak, en dit moest vooral tot uiting komen in een goed onderhouden schoolveld. In wou dat zien. In het nabije bos liet men mij een stuk grond zien waar, buiten wat onkruid, weinig te vinden was. Ik vroeg om uitleg daarover, en de onderwijzer liet me verstaan dat er tijdens het droog seizoen omzeggens niets groeit. Droog seizoen? Daar had je het weer! Niemand had me ooit iets gezegd over de opeenvolging van de seizoenen, over hun samenhang, enz. Dat moest de nieuwe missionaris allemaal zelf maar uitzoeken.'s Anderendaags ging ik per fiets een dorpje bezoeken op een 5 kilometer vandaar. Mijn reiskatechist liep achter mijn fiets en duwde hem voort over de stoffige wegen. In het dorp aangekomen volgde ik de directieven van P.Frans op: eerst de chef gaan groeten, hem een tafel en een stoel vragen en mij dan installeren onder het dak van een hut. Daarna wordt, aan de hand van de fichen het appel van de christenen gedaan, waarbij indien nodig ieder zijn waarheid te horen krijgt. Het hele dorp kwam samengestroomd. Nog nooit hadden die mensen zo'n jonge pater gezien. De fichen van Pater Frans waren zorgvuldig bijgehouden en op de achterkant stonden de situaties opgetekend: wonen bijeen, niet kerkelijk getrouwd, enz. Was dit laatste het geval, dan nam ik de christen duchtig onder handen, en ik zei hem dat hij met zijn vrouw naar de missie moest komen voor het huwelijksonderricht. Dan begon de man in kwestie soms over de bruidschat die nog niet was afbetaald, en zo meer. Een bruidschat? Nog nooit was er mij iets verteld over de huwelijksgewoonten. Aan die problemen wilde ik mijn vingers niet branden. Mijn besluit klonk kort en krachtig: Je moet samen met je vrouw naar de missie komen, zoniet ga je naar de hel. Goed, zei de man, maar aan de toon was soms te horen dat men nog liever naar de hel ging dan naar de missie te komen. Zo deed ik heel die week elke dag per fiets een of ander dorp aan.Zo verliep mijn eerste broesse-reis. Mijn bisschop mocht tevreden zijn, en ook ik, want vermits ik verplicht was geweest om enkel Otetela te spreken, daar de onderwijzers nauwelijks Frans spraken, had ik heel wat bijgeleerd. Voortaan kreeg ik ook mijn beurt om 's zondags te preken, en de gesprekken met de mensen verliepen heel wat vlotter.Op een dag is Pater Frans begonnen met mij in te wijden in het mysterie van het paardrijden, op de rug van zijn oude trouwe Frits, waarmee hij alle dorpen rond Lubefu had afgereisd. Zonder vrees waadde Frits door de riviertjes, en Pater Frans had hem zelfs geleerd, aan de hand van een lange liaan, de diepe Lubefu-rivier over te zwemmen. Zo leerde ik het paard zadelen, in het zadel te springen, en het dier aan de draf te krijgen. Weldra waagde ik me er al eens mee naar de omliggende dorpen. Overal had mijn paard veel beziens, en spontaan kwamen de mensen het voeden met maïskolven en ander eten, terwijl ik later alle moeite van de wereld had om in de dorpen wat eten te krijgen voor mijn dragers. Die gedroegen zich trouwens zeer aanstellerig, zij waren toch hulppersoneel van een blanke, en zou dan diens vermeende aureool niet op hen afstralen?Als mijn paard zijn stal rook en dan naar huis draafde, was het niet meer te houden: het vloog over de baan, en ik moest me er stevig aan vastklampen om er niet van geslingerd te worden. Onze Frits was een zeer godvruchtig beest. Het gebeurde regelmatig dat hij de kerk binnenging om er het wijwatervat leeg te drinken. Een paar jaar later kwam er danige sleet op onze Frits, en moeizaam strompelde hij op de missie rond: hij was niet meer in staat om op reis te gaan. Uit medelijden heeft toen een pater dat trouwe paard moeten afmaken. Hij wilde toen het vlees verdelen tussen ons werkvolk en de leerlingen van het internaat, maar niemand heeft er ook maar een stukje van willen eten. Dat ziet u van hier! Een beest dat overal in onze dorpen is geweest ... en wij zouden daar van eten? Dat is goed om zich een ongeluk op de hals te halen! Ze hebben dat beest dan in de grond moeten steken.
Wat later moest ik dan ook moto leren rijden op de oude Gillet van pater Frans, die bijna helemaal uit vervangstukken bestond, maar die het eigenlijk nog goed deed. Na een tijdje toerde ik voorzichtig wat rond op de missie om de versnellingen te leren beheersen. Pater Frans had me eens uitgestuurd om met mijn dragers en een paar werklieden op zo'n 35 kilometer van Lubefu, een schoolgebouw te gaan afwerken dat daar al een heel jaar in gedroogde stenen op halve hoogte was blijven staan. Maar wat wist ik van bouwen af? Ik vond het wel een beetje bedenkelijk dat de muren zo scheef opgetrokken waren, dat de kolonnen niet recht tegenover elkaar stonden, en dat de muren niet in die kolonnen waren ingewerkt maar er simpelweg tegen aangeplakt schenen. We verhielpen daaraan naar best vermogen, en na een paar weken was onze voorraad stenen opgeraakt. Toen kwam Pater Frans me met zijn moto halen. Ik sprong er achter op. Niets van! zei Frans, jij rijdt en ik zit achteraan. Ik startte. Het ging over een smal weggetje, en na een paar honderd meter riep Frans: in tweede, en daarna, in derde. We vlogen door het bos. In vierde, riep Frans. Ik had geen tijd om mijn hart vast te houden, maar een ongeluk leel onafwendbaar. Toch viel het nog mee, tot ik ergens midden op de berg stilviel. Nu zou Pater Frans mij eens laten zien hoe je op een weg bergop terug in gang kan geraken. Je laat je naar beneden bollen in "point mort" tot de motor aanslaat, dan draai je de moto om, en je bent weg. Maar in plaats van zich op de moto naar beneden te laten bollen, liep Frans er langs. De motor sloeg inderdaad aan, maar Frans vloog de ene kant van de baan op, en de moto ging de andere kant uit. De segmenten waren stuk, en we konden te voet naar huis, 15 kilometer ver, de moto voortduwend met de hand.
Belevenissen van een reispater
Naarmate mijn taalperikelen afnamen en de communicatie met de mensen vlotter verliep, kreeg ik steeds meer zin in het reispateren. In de dorpen werd ik goed onthaald: er werden mij kippen bezorgd, eieren, rijst en ook wel eens een tros bananen, die ik dan ophing aan de zoldering van mijn hut. Dan was er boven mij 's nachts een geloop en geritsel van jewelste: tegen de morgen hadden de ratten soms de helft van de bananen opgegeten. Waar ik per fiets niet kon komen, ondernam ik soms afmattende voettochten door pleinen, beken en bossen, op het vermetele af, op zoek naar een afgelegen gehucht diep in de bossen, waar misschien een paar christenen leefden. Maar er was eigenlijk niemand om me leiding te geven of om mijn wat onstuimige werklust in te tomen en bij te sturen. In die wirwar van inlandse gebruiken, opvattingen, huwelijksgewoonten, rouwpraktijken, bijgeloof en superstities, moest ik zelf mijn weg maar weten te vinden.Ook was er niemand die me enige aanwijzing gaf van hoe ik met de mensen diende om te gaan. Daarom zocht ik dan maar gegevens en wijsheid in de literatuur, onder meer in de geschriften van Mgr. Roelens en Mgr. De Clercq. Daar stonden zeer nuttige informatie over de inlandse mentaliteit, leefgewoonten en bijgeloof, maar ook heel wat negatieve vooroordelen geformuleerd. Hoewel ze toch sommige goede kwaliteiten bezaten, waren de inlanders vooral behept met grove gebreken. Men moest ze dus liefst streng aanpakken, wilde men er iets van bekomen. Dat deed ik dan ook, en soms al te streng. Uit onwetendheid en bij gebrek aan ervaring en begeleiding heb ik tijdens mijn eerste term een aantal flaters en misslagen begaan, die ik nadien diep betreurde. Zo vorderde ik, soms op aandringen van de zusters, christen meisjes op voor het eerstecommunie-onderricht op de missie. Onder de strenge bewaking van enkele van mijn dragers, stuurde ik hen naar Lubefu, waar ze daarna toch wegvluchtten. Evenzo liet ik soms christen vrouwen naar de missie begeleiden om hun huwelijk in orde te laten brengen. De echte reispater was destijds eigenlijk diegene die het meest vrouwvolk naar het onderricht kon brengen. Daarvoor werden wel eens hardhandige methodes aangewend, iets waarvan Pater Rudolf in 1934, tot eigen schade en schande, de nare gevolgen heeft moeten ondervinden. Zo deed ik eens, op aanstoken van mijn dragers, in een dorp een toverpaal (nkinda) in brand steken, en dit tot grote verslagenheid van de dorpelingen die schrik kregen van mij. Het is pas later geweest dat ik ging inzien dat de missie helemaal niet gediend was van zulke praktijken, en dat de evangelische liefde steeds de voorrang verdient. Mijn eerste term in Congo was voor mij veeleer een wel dure leerschool voor mijn verder missiewerk, met allerlei flaters en vergissingen.Eens bezocht ik Mukole, een dorpje van oud-soldaten, gelegen niet zo ver van Lubefu. Daar wisten de mensen mij het volgende verhaal te vertellen. Ieder jaar kwam Pater Frans daar, om er het appel van de christenen te houden. Sinds enige tijd had een soldaat een christen meisje als tweede vrouw genomen. Twee jaar opeen had Pater Frans met hem daarover een onderhoud gehad, maar de man lachte de pater uit. De laatste keer dat Pater Frans de man riep voor het appel, zei hij niets tot hem. Hij nam alleen maar zijn groot gebedenboek ter hand, en terwijl hij daarin las, ging hij driemaal rondom de man, en hij bekeek hem schuin. Dan zegde hij: Nog drie weken! En voor de drie weken om waren, was de man dood.Zo waren er nog andere reispaters die de naam hadden een mens of een dorp te kunnen vervloeken, onder meer pater Adriaan Van Campen (1908-1979). Zo een vloek kon wel eens een averechts effect krijgen. Eens werd Pater Adriaan, samen met zijn dragers, slecht ontvangen in het dorp Lushimapenge, in de streek van Tshumbe. Woedend liet hij zijn gerief weer inpakken om naar het volgende dorp te trekken. Gekomen aan de rand van het dorp, keerde hij zich om en, naar het evangelisch voorschrift, schudde hij het stof van zijn schoenen. Dan spuwde hij vol verachting op de grond en verliet het dorp. Als Pater Adriaan 's zondags thuis was in Tshumbe, ging hij steeds het moederhuis bezoeken, waar veel vrouwen van de buitendorpen kwamen bevallen. Bij zulk een bezoek, zowat een jaar later, vroeg hij aan een mama waar zij vandaan kwam. Van Lushimapenge. En aan de volgende: en van waar komt u? Van Lushimapenge. En een derde en een vierde, en nog enkele anderen, antwoordden: van Lushimapenge. Hoe komt het toch dat jullie dit jaar zoveel geboorten hebt? vroeg Pater Adriaan. Pater, zegden ze, vorig jaar hebt u toch ons dorp gezegend! Hoezo? Ja, u hebt bij ons toch op de grond gespuwd. En inderdaad, de echte zegening gebeurt met op de betrokken persoon te spuwen.
's Avonds vertelden in de dorpen de oudere mensen rond het vuur, griezelige verhalen over een periode die nauwelijks vijftig jaar voorbij was, over de tijd namelijk van Ngongo Leteta, Ngongo de Zwerver: de gevreesde slavenjager die al de dorpen van Lubefu en Katako had afgeschuimd en veel mensen had meegesleurd en anderen had verminkt. Hij was een gehate bandiet van de Basonge-stam, en hij werkte voor de slavenjagers Sefu en Tippo-Tip. Zijn voorbehouden jachtterrein waren de Atetela, mensen die machteloos stonden tegenover de geweren van Ngongo en zijn handlangers. Zij hielden geduchte razzia's in de dorpen en plunderden die grondig. Ze pakten daarbij veel mensen op, die beladen waren met ivoren slagtanden, in lange karavanen werden afgevoerd naar Kasongo en Nyangwe, en verder door naar Udjidji en Zanzibar. Duizenden echter stierven onderweg aan uitputting. Soms toonden ze me een oude man bij wie destijds een oor of een neus was afgesneden. Met dergelijke verhalen voedden de ouderen de afkeer tegen de handlangers en opvolgers van Ndongo, met name de Asambala. Na de overwinning van de blanken op de Arabische slavenjagers, waren de Asambala van kamp veranderd en werden ze de hulptroepen van de Onafhankelijk-Kongo-Staat, waarin ze een tweede maal de bevolking konden pesten en uitzuigen. In 1960, bij het begin van de onafhankelijkheid, waren de mensen dat nog niet vergeten, en de Asambala hebben toen hun vroegere wreedheden duur moeten bekopen.
Pater Rudolf
Intussen waren pater Rudolf en broeder Gaston teruggekomen uit verlof. We brachten samen spannende avonden door, die opgefleurd werden door de onmogelijkste verhalen van pater Rudolf. Hij gaf me soms wel nuttige wenken en informatie over de opvattingen en gebruiken van de mensen, en over hoe ik best met dat volk kon omgaan en ook over wat ik als reispater te doen had. Mijn reiskok, Louis Mbale, drukte hij op het hart goed voor die jonge pater te zorgen, zodat die kon uitgroeien tot een stoere kerel zoals pater Frans. Pater Rudolf sprak vloeiend Otetela, geen boekentaal, maar de taal van de mensen. Hij ging zeer gemeenzaam om met de mensen, die dan ook heel spontaan reageerden op zijn preken.
Op zekere avond, gingen we na het eten in het donker, zoals gewoonlijk naar het kerkkoor om het angelus te bidden. In het schijnsel van de godslamp ziet pater Rudolf een donkere schaduw. Frits, zegt hij. Kijk: Frits ons paard staat daar! Hij haalt uit met een flinke schop en ... de katafalk vliegt in stukken en brokken naar alle kanten van het koor ...Telkens wanneer er sindsdien een dodenmis-met-katefalk zou gelezen worden, vroegen we aan de zusters om Frits klaar te zetten. Na de avondrecreatie baden we op het koor het rozenhoedje, met een litanie en andere gebeden, en alles werd afgerond met het gewetensonderzoek en de avondzegen. Dat rozenhoedje was voor Pater Frans een onweerstaanbaar slaapmiddel. Wanneer hij zelf moest voorbidden en aan het gewetensonderzoek kwam, duurde het telkens een paar minuten voor hij weer wakkerschoot. Op een avond waren we overeengekomen bij het gewetensonderzoek geruisloos de kerk te verlaten. Die nacht is Frans wakker geworden om drie uur tegen de morgen.
Adieu Lubefu!
Op een septemberavond, midden in een reis van 20 kilometer van Lubefu, stond ik om 9 uur op het punt om te gaan slapen in mijn hut, toen ik een moto het dorp hoorde binnenrijden. Het was iemand die de pater zocht: een bevriende staatsagent, mijnheer Roels, die me kwam melden dat pater Wilfried Van Reeth (1917) in Lubefu was, om mij mee te voeren naar Katako, waar ik tot klaspater was benoemd. Eerst wou ik het niet geloven: ik was eerder in de mening dat hij me een poets wilde bakken. Toch was ik ongerust en de hele nacht kon ik de slaap niet vatten. 's Morgens na de mis droeg ik mijn dragers op alle gerief in te pakken en naar het volgende dorp te gaan, zonder iets uit te pakken voor ik daar aankwam. Een uur later kwam Pater Frans het dorp per moto binnengereden om me te komen halen. Het was dus toch waar! Morgen zou ik met pater Wilfried naar Katako vertrekken.Abbé Victor Wandja trommelde heel zijn lagere school bijeen om me te komen groeten en danken. Ik improviseerde moeiteloos een hele toespraak: hoe ik mijn hart aan Lubefu had verpand, hoe graag ik in hun dorpen gereisd had, hoe node ik van daar wegging, en dat ik nooit mijn eerste post Lubefu zou vergeten, waar ik jammer genoeg maar acht maanden had mogen verblijven. Die woorden welden op uit de grond van mijn hart. Op mijn kamer ben ik dan in snikken uitgebarsten. Die mooie tijd van full-time reispateren zou nooit meer terugkeren.Voortaan was ik definitief verkocht aan het onderwijs: eerst in de lagere school, dan op de normaalschool, nadien op een college, en thans op een groot seminarie. Enkel tijdens de vakanties zou ik me soms nog een uitstapje van een week naar de buitendorpen kunnen veroorloven. Maar ik heb het steeds zo weten te regelen dat mijn onderwijstaken steeds met allerlei pastoraal werk werden doorkruist. Gedurende enkele jaren was ik zelfs full-time leraar en terzelfdertijd pastoor van een grote parochie. In Lubefu heb ik de basis meegekregen voor de verdere zielzorg en voor de taalstudie die me steeds bleef boeien, want na acht maanden kon ik me in het Otetela al behoorlijk behelpen.
's Anderendaags verliet ik met pater Wilfried mijn eerste post Lubefu, uitgewuifd door de vele schoolkinderen. Adieu Lubefu, mijn eerste liefde, mijn leerschool voor het missiewerk en bakermat van mijn verder apostolaat, waar ik mijn eerste, schuchtere en nog onzekere stappen zette en, doorheen veel blunders en vergissingen, mijn eerste missie-ervaringen opdeed die mijn verder leven zouden bepalen.
Verdere tekst kun je vinden op HEEMKUNDEKRING NICOLAUS POPPELIUS V.Z.W. Met dank aan Dhr. Marc Vermeeren; die de toestemming gaf om deze tekst op de website van Congo-1960 te plaatsen (Niets uit deze webpagina mag gecopieerd worden zonder toestemming van de auteur!. Het volledige manuscript staat op de website van de Heemkundekring (70 blz). Mijn oom zit nog steeds in Congo en is daar nog steeds missionaris. Hij wordt dit jaar 85 jaar. Zijn adres: Pater Koen Maes Passionist, BP 10020 Ndjili-Aéro Kinshasa. De meeste brieven die wij versturen geraken echter niet bij hem. Ik heb wel een telefoonnummer van hem.
© Marc Vermeeren en Pater Maes congo-1960 01-01-2007
Met dank aan














About Us