Toen ik de opdracht vernam, besloot ik redelijk snel twee zaken. Ik interview niet een van mijn grootouders, omdat ik niet zou kunnen kiezen tussen hen en omdat zij zo ver van mijn thuis wonen. Ik wilde ook niets over "den oorlog" maken. Dat maakte het vinden van een informant niet gemakkelijker. Ik ging te rade bij mijn moeder en zij vertelde mij over José "van het Geleeg" en zijn werk bij de Bouworde. Ik contacteerde hem en vrijwel meteen begonnen wij te werken. In het begin was het een beetje raar. Ik had José nog nooit ontmoet. Maar vermits ik interesse had in zijn verhaal en hij het interessant vond dat het werd neergeschreven, verbeterde het contact zienderogen. Ziehier het resultaat van een lang en zwaar, maar interessant werk.
De armoede in West-Duitsland na 1945
"1945. De gevolgen van de Tweede Wereldoorlog werden zichtbaar. Naast vele andere gebieden was ook Duitsland zwaar getroffen: 85% van het land werd vernield. Door de verdragen van Yalta en Potsdam werd Europa in een Oost- en een Westblok verdeeld. Dit had als gevolg dat miljoenen mensen uit het Oostblok werden verdreven of moesten vluchten. Uiteindelijk belandden ongeveer negen miljoen mensen in West-Duitsland. Zij kwamen terecht in bunkers, barakkenkampen of vonden onderdak in schuren en stallen van loyale boeren. Toen ik eens op bezoek ging in een van die bunkers had ik enkele pakken chocolade meegenomen bij wijze van geschenk. Achteraf bekeken was dat een slecht idee. Er werd bijna gevochten om de chocolade. Mensen werden boos op mij. "Hé, je hebt nog geen stuk aan mijn zoon gegeven!" De mensen leefden er in zulke ellendige omstandigheden dat ze beestachtige trekken begonnen te vertonen. Ik ben er zowaar weggevlucht!"
"Rugzakpriesters"
"De ellende was er enorm. De vluchtelingen waren bovendien ook religieus dakloos. Grote groepen vluchtelingen uit katholieke gebieden kwamen terecht in protestantse streken en vice versa. Het ontbreken van enige pastorale zorg verhoogde de ontreddering. De Duitse bisschoppen waren zich daarvan bewust en deden een oproep aan priesters en kloosterlingen om de pastorale zorg van deze mensen op zich te nemen. De Algemene Overste van de Norbertijnen beantwoordde deze oproep positief. Hij gaf aan pater Werenfried Van Straaten van de abdij van Tongerlo de opdracht om uit te zoeken wat er gedaan kon worden. Uitgaande van de idee dat je niet over "een liefdevolle God" kon spreken tegen mensen die honger lijden en in de miserie zitten zonder hen ook daadwerkelijk te helpen, begon pater Werenfried een enorme bedelactie in Vlaanderen. Hij verzamelde bewaarbaar voedsel, kledij, schoenen,… en liet alles uitdelen door "de vluchtelingenpriesters", die ook "rugzakpriesters" werden genoemd. Doordat zijn bedelacties bij de Boerinnenbondgroepen in de Kempen begonnen en pater Werenfried zelf ver van mager was, kreeg hij snel de bijnaam van "de Spekpater". Zijn bedel- en uitdeelacties, gepaard aan pastorale tournees van grote kapelwagens (met als officiële naam: Oostpriesterhulp), was in alle opzichten een succes."
De Internationale Bouworde
"Ondertussen werd het wel duidelijk dat deze hulpacties geen definitieve oplossing brachten. Er was meer nodig! Enerzijds zou de ambulante pastorale hulp op vaste locaties moeten worden ingeplant en anderzijds moest er andere behuizing worden gevonden voor de vluchtelingen en verdrevenen. Om aan de pastoraal een vaste ankerplaats te geven, werd het plan opgevat om langs het IJzeren Gordijn "Stützpunkte für Gott" (steunpunten voor God) te bouwen. Zo'n steunpunt zou bestaan uit een klein klooster, een kerkje, een kleine kapelwagen, een volkswagen ("kever") en een moto. Om aan het probleem van de woningnood tegemoet te komen, werd een vorm van samenwerking met de bestaande "Siedlunggenossenschaften" uitgedokterd. Dit werd de Bouworde. Deze genootschappen hielpen gezinnen, die aan bepaalde sociale voorwaarden voldeden, aan een huis. Er waren enkele voorwaarden: zij schreven zich als lid in, betaalden een aantal jaren maandelijks een eerder klein bedrag en werkten een bepaald aantal uren onbezoldigd mee aan het hele project. De bouw van een huis was toen nog veel omslachtiger: de kelder moest met de schop worden gegraven, stenen moesten ter plaatse worden gebakken,… Ik herinner mij dat het grootst aantal stenen dat wij ooit op een dag bakten, zevenhonderd was. Door deze voorwaarden vielen er toch heel wat gezinnen uit de boot; gezinnen waarvan de vader gesneuveld, verminkt of ziek en dus arbeidsonbekwaam was. Uiteraard waren het juist die gezinnen die het dringendst een woning nodig hadden. De Bouworde besloot daarom door vrijwilligerswerk de uren van die mensen over te nemen. Dat was en is het uitgangspunt van waaruit de Internationale Bouworde in 1953 een eerste bouwkamp organiseerde in de streek van Münster. Leerlingen uit het Jezuïetencollege van Turnhout waren de bouwgezellen."
Geld inzamelen
"In 1951 kwam pater Werenfried naar Mgr. De Smedt van het bisdom Brugge met de vraag of hij een steunpunt wilde financieren. Kostprijs: circa twee miljoen BEF (49578 euro). De bisschop was bereid dat te doen en om dit te realiseren gaf hij een priester de opdracht een werkgroep op te richten om geld in te zamelen. En wie zat er in die werkgroep? Juist, Bibi! Onze werkgroep verzamelde op allerlei manieren geld, ondermeer door te gaan preken en te bedelen. Ik zal nooit vergeten dat ik eens in een klein zaaltje was. Er was maar één uitgang, helemaal achteraan. Als spreker stond ik natuurlijk vooraan. Na de film en mijn voorstelling, toen het ogenblik van bedelen was aangebroken, zei ik nogal provocatief: "Zien jullie deze hoed? Die zou vanavond vol moeten zijn. En liefst niet met "kluttergeld" of niet met knopen, maar met bankbriefjes! Nu zouden de mensen achteraan in de zaal naar buiten kunnen lopen, voordat ik tot bij hen geraak. Maar ik denk dat dit niet zal gebeuren, want op andere plaatsen is dat ook niet gebeurd!" De mensen lieten mij door en ik stond er werkelijk versteld van hoe vrijgevig zij waren. Nu wilde onze werkgroep niet alleen bedelen, maar ook daadwerkelijk mee gaan helpen in de bouw. Zo kwamen wij ertoe om verschillende colleges te vragen om spaaracties te organiseren. Voor elke duizend frank (25 euro) die een college bijeenspaarde, mocht er een jongen van hun school mee. Op die wijze vonden we genoeg vrijwilligers en door de spaaracties was de reis en het verblijf voor de deelnemende jongeren kosteloos."
Van leerkracht naar hoofdaalmoezenier
"Wij hadden genoeg vrijwilligers en voldoende geld. Acht dagen voor het vertrek kreeg ik echter, als verantwoordelijke voor de contacten met het steunpunt in Celle, een telegram. De gronden waarop het steunpunt zou komen, waren toch niet aangekocht! Daar stonden wij nu met onze jongens, onze groepsverantwoordelijken, ons spaargeld. Ik vertelde het slechte nieuws door en de verantwoordelijke van de werkgroep stelde voor om de volgende dag naar een persconferentie van de Bouworde in Antwerpen te gaan. Op die persconferentie bleek dat de Bouworde met het tegenovergestelde probleem zat. Zij hadden bouwprojecten waar geholpen kon worden, maar zij hadden geen voldoende vrijwilligers. Boem, 't was gebakken! Er zijn toen drie groepen vertrokken: naar Friedland, naar Oldenburg/Bümmerstede (ik was hiervan de verantwoordelijke) en naar Göppingen, een plaatsje in Zuid-Duitsland. Deze eerste bouwkampen waren een groot succes en kregen veel aandacht, ondermeer omdat er zovele mensen in participeerden. Datzelfde jaar heb ik nog twee bouwkampen tijdens de grote vakantie gedaan. In de paasvakantie van 1955 kwamen Werenfried en Maurice Nachtergaele, algemeen secretaris van de bouworde, eens kijken op het bouwkamp waar ik toen was. Zij vroegen mij of ik niet bij de Bouworde wilde blijven. Ik zei hen dat zij dat aan mijn bisschop moesten vragen. Ik was tenslotte leerkracht in het college van Izegem. Toen ik terug thuis kwam, kreeg ik telefoon van de bisschop. "Gij moet niet meer naar het college. Gij moet naar Tongerlo, naar het secretariaat van de Bouworde!" En zo kwam ik bij Maurice Nachtergaele en Paula Vervoort, de secretaresse, in een klein kamertje in de abdij van Tongerlo terecht, dat dienst deed als het secretariaat van de Bouworde. Ik werd hoofdaalmoezenier."
De internationale ontwikkeling van de Bouworde
"De inzamelacties van de Spekpater hadden zo'n succes dat er een teveel aan bepaalde goederen ontstond, voornamelijk aan kledij. Er werd een nieuwe organisatie opgericht, Kerk in Nood, die alles ophaalde en sorteerde. Wat niet meer kon dienen, werd verkocht. Deze organisatie werd gehuisvest in een gebouw tegenover de abdij van Tongerlo. Het secretariaat van de Bouworde was te klein geworden en verhuisde ook naar dit gebouw. Ook het KIN was er. In 1955 vond er in de abdij een grote bijeenkomst plaats met vele abten, waaronder de abt van Monday (Frankrijk). Hij was een heel sociale man en kwam eens een kijkje nemen op ons secretariaat. Hij was onmiddellijk geïnteresseerd in ons werk en vroeg of de Bouworde ook in Frankrijk zou kunnen komen werken om aan de woningnood tegemoet te komen. Maurice legde hem uit dat de Bouworde wel bepaalde voorwaarden stelde. Nu bleek dat er ook in Frankrijk "Castors" (vergelijk met de "Siedlungen") actief waren. Een tijdje later liet deze abt vanuit Frankrijk weten dat een groep "Castors" in de omgeving van Caen klaar was om te beginnen bouwen. Alles was klaar om de bouwgezellen te ontvangen. Maurice ging eens een kijkje nemen in Caen, waar "tien à twintig huizen" zouden worden gebouwd. Alles was in orde en dus trok ik in juni 1955 met een groep bouwgezellen naar Caen. We sliepen er in een school van paters, niet ver van de bouwplaats. "De rest van de tijd" woonden wij op "de chantier". "De eerste dagen hebben wij voor eten gezorgd, maar er zijn hier in de buurt vele Vlaamse boeren, die blij zullen zijn dat zij kunnen helpen." Na deze woorden van de verantwoordelijke van de "Castors" ging ik op weg naar de eerste boer waar ik het adres van had. Hij wou ons meteen helpen en gaf het adres van een andere boer en zo ging dat maar door. Na een aantal dagen bleek dat de boeren dikwijls bijna hetzelfde eten brachten. Het kon dus gebeuren dat wij twintig zakken aardappelen hadden, maar geen vlees. Ik ben dan nog eens rondgereden en het probleem was opgelost. De boeren vonden ons zo sympathiek dat zij in een weekend met ons naar de Mont-Saint-Michel zijn gereden! Uiteindelijk was het project in Frankrijk een grote stap voor de Bouworde. Voor de eerste keer werd er niet voor vluchtelingen of verdrevenen gebouwd! De nadruk lag niet meer op bepaalde groepen van mensen, maar op woningnood. De Bouworde ontwikkelde zich verder en nu er ook secretariaten in meerdere landen waren, konden er uitwisselingen van bouwgezellen plaatsvinden."
Waldkappel
"Door de uitbreiding werd de hele organisatie wat ingewikkelder, ook wat het aspect van de financies betreft. Dit alles werd besproken in de Consultatieve Raad. In 1956 ging ik spreken in een studiehuis in Suarlée (Namen), waar ook een Italiaanse leerling-priester verbleef die reeds aan een bouwkamp had geparticipeerd. Na een jaar, toen hij priester was, keerde die jongen terug naar Italië. Hij zag dat er in Italië ook woningnood was en dat er daar "Castori" (vergelijk met "Castors" en "Siedlungen") actief waren. Pater Marcandella, zo heette hij, heeft dan in Rovereto, een plaatsje dicht bij Trento, een secretariaat van de Bouworde opgericht. "Bouworde Italië" was geboren. Nog in 1956 had Mgr. De Smedt het plan opgevat om kleine kerken en kleine scholen te bouwen, dicht bij de mensen, in plaats van grote kerken. Hij vroeg hulp aan de Bouworde en op deze wijze werden wij ook actief in Vlaanderen. Het grootste project van de Bouworde is ongetwijfeld het project in Waldkappel geweest. Naar aanleiding van de 1200ste verjaardag van de dood van Bonifatius (de heilige bisschop van Fulda, Duitsland), werd "Katholikentag" in die stad gehouden. In plaats van een standbeeld voor Bonifatius op te richten, besloot men een "Bonifatiussiedlung" met ruim honderd woningen, een kerk en een gemeenschapszaal te bouwen voor vluchtelingen. In de paasvakantie van het eerste werkjaar werkten de gewone bouwgezellen. In de periode tussen de paasvakantie en de grote vakantie werden er jonge boeren geëngageerd, wiens taak op het boerenhof tijdelijk werd overgenomen door vrienden. Gedurende de grote vakantie en tijdens de maand september waren de studenten actief. In Waldkappel waren ook het TIBO en het SIBO actief, respectievelijk het Technisch en het Seculier Instituut (van de) Bouworde. Het TIBO bestond uit technisch geschoolden, die de periode tussen het einde van hun studies en het begin van hun legerdienst bij de Bouworde doorbrachten. Het SIBO bestond uit jongemannen, die zich volledig voor de Bouworde engageerden, en dit deden onder jaarlijks hernieuwbare geloften. Zij bleven nog tot de komst van de winter in Waldkappel, wat maakte dat dit het bouwkamp werd met de langste periode van continue bouwactiviteit."
De Bouworde in "Congo"
"In 1959 vertrokken drie mensen vanuit het SIBO naar "Congo" (heden: Kongo). Jaak Mevis, een Scheutist uit Lummen, was er reeds enkele jaren werkzaam. Tijdens zijn studie had hij in Europa enkele bouwkampen meegemaakt. Hij vond dat de formule van de Bouworde ook in Congo effectief kon zijn en vroeg enkele mannen van SIBO. Zo belandde het eerste groepje van drie mannen in Kananga, dat toen nog Luluaburg was. Vlug stelden zij vast dat huizen bouwen niet het belangrijkste was. Hun werk groeide in de richting van het jeugdwerk en mondde uit in het oprichten van een Congolese tak van de Bouworde. Er werden ondermeer heel wat bruggetjes gebouwd over rivieren, zodat de mensen gemakkelijker met hun goederen naar de markt konden gaan."
Eens te meer, een nieuwe uitdaging
"Zoals elk jaar ging ik ook in '59 verslag uitbrengen bij mijn bisschop Mgr. De Smedt. Omdat hij dacht dat het goed was dat ik ook wat ervaring in het parochiewerk opdeed, benoemde hij mij tot onderpastoor in Assebroek (bij Brugge). Ik bleef echter halftijds bij de Bouworde. In praktijk betekende die benoeming alleen dat ik niet meer zo veel naar het buitenland trok. Het grappige was dat de pastoor van Assebroek in die periode een parochiehuis wilde bouwen,… ik zat dus opnieuw "in den bouw". De periode '60-'62 was dus nogal kalm voor mij. Maar in 1962 was er het Tweede Vaticaans Concilie, waar ook Mgr. De Smedt heel actief aan deelnam. Toen hij terugkwam van de eerste sessie, bracht hij het nieuws dat er in andere landen een groot tekort aan priesters was. Met nieuwjaar 1963 stelde hij een brief op, die door de deken werd voorgelezen op een vergadering van alle priesters van de dekenij.
"Wij hebben het hier veel te gemakkelijk. Hier zijn veel te veel priesters, die te weinig werk hebben en op andere plaatsen heeft men er tekort. Daarom heb ik besloten om 10% van mijn priesters af te staan. Dat betekent wel dat de overige 90% harder zal moeten werken."
Hij wilde dus dat jonge, maar ervaren priesters -jonger dan veertig jaar met minstens vijf jaar werkervaring- zich aanboden om naar Latijns-Amerika te vertrekken. Ik zal nooit vergeten dat verschillende collega's na het aanhoren van deze boodschap uitriepen: "Ghekiere, is dat niets voor u?". Ik was toen echter tweeënveertig jaar, dus ik was te oud. Ik kwam enkele maanden later de deken nog eens tegen en ik vroeg hem of de bisschop reeds veel kandidaten had binnengekregen. "Zwijg mij ervan, dat jong volk biedt zich niet meer aan. Er zijn nog maar een stuk of vijf kandidaten!" De bisschop had gedacht om zo'n tweehonderd priesters te sturen,… "Waarom vraag je dat eigenlijk?" "Heb je misschien zin om zelf naar Zuid-Amerika te gaan?" "Het is geen kwestie van goesting, ik ben te oud". "Ik ben er zeker van dat de bisschop blij zou zijn als jij je zou aanbieden!" Ik zei de deken dat hij dat maar eens aan de bisschop moest vragen. Daarna belde ik naar Maurice Nachtergaele om te vragen waar ik naartoe zou gaan, INDIEN ik naar Latijns-Amerika zou worden gezonden. Die zei meteen "Brazilië". "Waarom?" "Omdat er een bisschop daar bezig is met een interessant bouwproject." Hij ging mij informatie over dat project opsturen (wat hij ook deed) en ik vroeg hem voorlopig met niemand over mijn plannen te praten. In 1963 vierde de Bouworde haar tienjarig bestaan met een academische zitting in Brussel. Maurice gaf daar als secretaris-generaal van de Bouworde natuurlijk "een grote speech". Hij verontschuldigde de afwezigen. "Paula, onze secretaresse, kan er vandaag niet bij zijn, want zij zit momenteel in Congo om de boekhouding op orde te stellen; ook onze hoofdaalmoezenier Ghekiere, die binnenkort naar Brazilië vertrekt, kan er niet bij zijn,…" Dat zei hij dus letterlijk, "tegen al dat publiek"! Enkele dagen later, rond Pasen, kwam de bisschop terug van de tweede sessie van het concilie. Ik kreeg een telefoontje van de bisschop. Kon ik eens langskomen? Toen ik binnenkwam, vroeg hij: "Zeg, het schijnt dat jij naar Zuid-Amerika wil gaan!". Ik had nooit gedacht dat het zo vlot zou gaan, maar hij bleek dus akkoord te gaan met mijn plannen."
Langs Venezuela en Suriname
"Om mij voor te bereiden, heb ik een cursus Portugees in het Latijn-Amerikaans seminarie in Leuven gevolgd. Ook heb ik iemand gezocht om mijn spullen bij te houden. In 1964 ben ik vertrokken voor een termijn van drie jaar. Ik ging niet rechtstreeks naar Brazilië. Ik woonde eerst een congres in Venezuela bij en ik kreeg de opdracht van de Bouworde om ervoor te zorgen dat het visum voor drie bouwgezellen van het TIBO werd verkregen. Die bouwgezellen, van Duitse afkomst, gingen werken in een groot project van een Vlaamse priester, padre Renaldo, in Tunapui. In Venezuela aangekomen, bleek het congres naar Pasen te zijn uitgesteld. Mijn eerste poging om de visa te regelen, mislukte. Ik kaartte het probleem aan bij een groep Vlaamse priesters in Caracas. Pater Baslov zei mij dat hij een pater-Jezuïet kende, padre Silverio de Zabala, die reeds met "castors" werkte. Op die manier kwamen de visa in orde. Om van Venezuela naar Brazilië te gaan, kom je langs Engels-, Nederlands- en Frans-Guyana. De Bouworde bestond reeds in Nederlands-Guyana, het huidige Suriname. Zij werd er opgericht door een Nederlandse pater-redemptorist, Bas Mulders. Maurice vroeg mij om hem een bezoekje te brengen. Ik ben er twee weken gebleven, met ondermeer een bezoek aan een bouwproject midden in het oerwoud, ergens aan de Marowijne, de rivier die Suriname van Frans-Guyana scheidt."
In Recife: de putsch op 1 april 1964
"Eind maart 1964 kwam ik aan in Recife, Brazilië. Het is een havenstad waar het verschrikkelijk warm en vochtig is. "Als ik mijn schoenen twee dagen niet afborstelde, stond er haar op." Ik werd er opgevangen door de man die mij in 1955 had vervangen in het college toen ik voor de Bouworde ging werken. Hij regelde het dat ik voorlopig in het seminarie van Recife kon verblijven, dat in Olinda (een plaatsje vijf kilometer verderop) lag. Ik had een brief mee van de provinciale overste van de redemptoristen in Suriname en de eerste dagen trachtte ik de paters-redemptoristen te vinden. Het waren zeer vriendelijke mensen. Na zeven dagen telefoneerde de pater-econoom om mij te vragen of ik niet bij hen wilde logeren. Dat zou heel wat gezelliger zijn en bovendien was ik dan dichter bij de bisschop gelogeerd, die toen op het concilie in Rome was. Een dag later, 1 april 1964, was er de putsch, de militaire staatsgreep. Het land stond in rep en roer. Padre Sena, de pastoor van de universitaire parochie die ik normaal zou gaan helpen, werd als "ne linkse" door het leger beschouwd. Hij moest Brazilië onmiddellijk verlaten. Toen een pater-redemptorist me enkele uren later kwam afhalen, zei hij mij dat wij voorzichtig zouden moeten zijn. Er werd immers geschoten aan het paleis van de gouverneur."
Dom Helder Câmara
"De bisschop die op de hoogte was van mijn komst, was tijdens mijn verblijf in Venezuela overleden. Zijn opvolger, Dom Helder Câmara, was nog op het concilie in Rome. Op 12 april '64 werd hij in Recife geïnstalleerd en enkele dagen later ging ik hem opzoeken in het bisschoppelijk paleis. Ik liep er binnen en vroeg aan een nonnetje of ik met Dom Helder Câmara kon spreken. Zij zei dat ik gewoon eventjes moest wachten, dat hij meteen wel zou komen. Na een tijdje kwam dat nonnetje naar mij en zei: "Dom Helder Câmara zit daar hoor; je moet er maar gewoon naartoe gaan.". Toen ik verteld had wie ik was en wat ik kwam doen, zei hij: "De pastoor van de universiteit is verbannen, jij bent hier nieuw en kent eigenlijk de situatie nog niet en de studenten willen vernieuwing (vergelijk met mei '68). Ofwel maak je jezelf belachelijk, ofwel vlieg je in de gevangenis ofwel schieten ze je dood op straat. Ik raad je dus aan om niet in de universitaire parochie te gaan werken." Maar wat zou ik dan wel doen? Enkele dagen later ging ik opnieuw naar hem met de vraag of ik niet in de bairros, de krottenwijken, zou mogen werken (in het zuiden van Brazilië worden deze favelas genoemd; Engelse term: slums). Hij gaf mij drie namen van bairros en zei me dat ik maar eens contact moest zoeken met de mensen ginder."
Intermezzo in Venezuela
"Intussen waren de drie bouwgezellen -na een bootongeluk en slecht begrepen afspraken en verwittigingen- uiteindelijk in Venezuela bij padre De Zabala aangekomen. Thuis, in Duitsland, woonden die jongens in bescheiden "siedlungs-huizen". In Venezuela moesten zij helpen bij het bouwen van huizen… voor bedienden. Nu hadden die bedienden die huizen echt wel nodig, maar voor onze bouwgezellen leek het of zij voor "de rijken aan het werken waren". Dat stond hen absoluut niet aan! Zij hebben dan ook na enkele dagen een telegram naar padre Renaldo gestuurd om te vragen of hij hen niet wilde komen halen. Zij zijn dan met Renaldo naar het binnenland getrokken om aan zijn project te werken. Dat werd echter niet aanvaard en bijgevolg was er ook geen financiering. Toen de Bouworde Leuven van deze problemen hoorde, schreven zij mij een brief met de opdracht om ter plaatse de problemen op te lossen. Begin mei vertrok ik voor twee weken naar Venezuela en heb ginder voor een voorlopige financiering kunnen zorgen."
In de bairros
"Eind mei was ik terug in Brazilië en heb ik in de bairros een sociale enquête gehouden om de situatie in te schatten. Ik ben er drie maanden mee bezig geweest. In augustus verhuisde ik naar een klooster waar ik in een bijgebouwtje woonde. Er was bij de paters-redemptoristen geen plaats meer. Als wederdienst moest ik in het klooster alleen 's morgens de mis lezen en ook af en toe een conferentie houden. De rest van al mijn tijd bracht ik in de bairros door. De mensen waren enorm warm en hartelijk. Zij babbelden ook heel graag. Begin september kreeg ik echter een brief van de Bouworde waarin ik werd gevraagd om definitief naar Venezuela te gaan. Het project liep ginder totaal fout. Het heeft drie maanden geduurd om een beslissing te nemen. Met mijn hart wilde ik in Brazilië blijven, maar mijn verstand zei mij dat ik naar Venezuela moest."
Het initiatief van een opleidingscentrum
"Begin 1965 kwam ik in Venezuela aan. De drie bouwgezellen waren er toen reeds acht maanden aan het werk. In de streek waar zij verbleven, werd staatsgrond ter beschikking gesteld, op voorwaarde dat erop gewerkt werd. Wilfried, Winfried en Claus, de bouwgezellen, hadden zo'n stuk aangevraagd en gekregen. De afgelopen maanden hadden zij op die lap grond gezwoegd, maar zonder resultaat. Zij hadden dan ook één van de slechtste stukken gekregen. Dit kon natuurlijk zo niet verder. Na overleg beslisten wij om een opleidingscentrum voor jongens uit landbouwersgezinnen op te richten. Wij werkten met drie groepjes van tien jongens, die weinig theoretisch, maar des te meer praktisch onderricht kregen. Regelmatig gingen zij naar huis om hun praktijklessen toe te passen. In de voorbereiding van het project bleek reeds snel dat wij ook kinderen moesten betrekken. Ik heb het kunnen regelen dat twee puericultoras (kinderverzorgsters) uit Caracas (700 km van Tunapui!) mee kwamen werken aan ons project. Reina, de jongste, gaf uitleg aan de moeders over voeding en hygiëne. Annamaria organiseerde allerlei activiteiten voor de kinderen. Later is er ook nog een Vlaamse (Agnes) en een Nederlandse (Cécile) verzorgster bijgekomen. Agnes was heel handig en leerde de dorpsvrouwen allerlei handwerk aan. Het materiaal kregen wij van de Catalaanse padre Juan Vives van Caritas, waar ik veel contact mee had. De handwerkjes werden regelmatig tentoongesteld en verkocht".
Drecha Kas
"Rond de periode van Kerst en nieuwjaar gaf ik iedereen veertien dagen vakantie. Zelf trok in naar Curaçao, omdat er daar Nederlandse broeders waren die van de Bouworde hadden gehoord. Zij wilden zelf een project uitvoeren. Een van de broeders legde de plannen aan mij voor. Hoe meer hij vertelde, hoe meer ik besefte dat zijn plannen absoluut niets voor de Bouworde waren. Ik zei hem dat ook. Omdat ik toch vakantie had en omdat de broeders het mij voorstelden, ben ik nog een tijdje gebleven. Enkelen waren echt geïnteresseerd en vroegen of zij niet konden helpen in Venezuela. Gezien wij bouwplannen hadden, was alle hulp welkom. In 1966 zijn er drie broeders komen helpen in onze bouw. Uit dat contact is hetzelfde jaar de Bouworde Curaçao ontstaan, onder de naam Drecha Kas. De groep bestond en bestaat nog steeds voornamelijk uit scoutsjeugd en houdt zich bezig met renovatiewerken."
Kleinschaligheid versus uitbreiding
"Onze aanwezigheid werd blijkbaar bekend. Een coöperatieve van "vuilnismannen" uit Maracay (200 km aan de overzijde van Caracas) vroeg onze hulp. Zij hadden gespaard en waren bezig met de bouw van een eigen huis. De Bouworde gaf hen hulp door Ernst, een Duitser, te sturen. Maar ik moest dat allemaal regelen. Daardoor werd 1966 een enorm druk jaar. Ik was actief met de planning en de projectbeschrijving in Tunapui, met het over-en-weer brengen van bouwgezellen naar Maracay en met de mensen die nu in Tunapui reeds aan het werk waren. Dat was het grote verschil tussen mijn verblijf in Brazilië en Venezuela. In Brazilië werkte ik in de bairros en had ik veel contact met de lokale bevolking; in Venezuela had ik vooral een administratieve functie. Mijn termijn van drie jaar zat er bijna op en ik wilde absoluut dat het project goed op gang was voor ik naar huis moest. Maar ik kreeg tegenwind. Caritas wilde dat het centrum veel grootser en rendabeler zou zijn. Wij weigerden, omdat wij wisten dat het onmogelijk zou zijn om meer dan dertig jongens achteraf te blijven volgen. In Europa vonden zij ook geen financiële steun meer voor ons. Venezuela had haar olie genationaliseerd en werd nu als een rijk land beschouwd, alhoewel die rijkdom een heel klein deel van de bevolking ten goede kwam. Slechts in december heb ik een technische school, geleid door broeders, gevonden die ons wilde helpen. Eind december werd ik door de Bouworde teruggeroepen uit Latijns-Amerika en nam Jaimé mijn plaats in. Jaimé had reeds in Centraal-Amerika gewerkt en werd door een vriend aan Maurice Nachtergaele aanbevolen. Jaimé heeft wel toegegeven aan de personen die het groots wilden aanpakken. Hij heeft een groot gebouw neergeplant. Dat centrum heeft een jaar gewerkt met honderd leerlingen. Toen ik er in 1973 nog eens op bezoek ging, was het al een hele tijd verlaten,… Eigenlijk is dat project dus van a tot z mislukt. Alleen de werking met de kinderen heeft goed gefunctioneerd. Wel is dat project een ongelooflijke verrijking voor mij en voor vele anderen geweest. Uit onze fouten hebben wij veel geleerd."
Verantwoordelijke voor de niet-Europese secretariaten bij de Bouworde
"Omdat pater Elias Hooy, een Nederlandse minderbroeder, in het begin van 1967 als missionaris naar Brazilië was vertrokken en bisschop De Smedt mij terug aan de Bouworde "afstond", werd ik opnieuw hoofdaalmoezenier. Op 2 mei 1968 ging ik opnieuw aan de slag in België. Diezelfde maand vertrok ik reeds naar Chili,… Er waren immers moeilijkheden met een project dat nog niet zo lang was gestart. Zowel de leiding ter plaatse, als de bouwgezellen hadden gevraagd dat er iemand van het internationaal secretariaat zou komen om het project terug op de rails te krijgen. Ik ben er circa drie weken geweest en heb er voornamelijk vergaderd. Het begin van de jaren '60 was de periode van de dekolonisatie in Afrika. "Met die dekolonisatie werden ook de ontwikkelingslanden ontdekt." Toen ik terugkwam in 1967 had de Bouworde reeds het accent op ontwikkelingswerk gelegd. De Bouworde was intussen actief in Zuid-Afrika en Nieuw-Guinea. Er werd ook een nieuw secretariaat opgericht: Bouworde Zaïre. Ik werd als verantwoordelijke voor de niet-Europese secretariaten aangesteld. Daardoor ben ik nog heel wat keren in Latijns-Amerika geweest om samenkomsten te organiseren met de verschillende secretariaten: Venezuela, Aruba, Curaçao, Suriname. Ik had ook contact met het secretariaat in Zaïre. Ik wilde er graag eens naartoe gaan, maar het is er nooit van gekomen."
Het Geleeg
"In 1972 vroeg men mij om aalmoezenier te worden in het ziekenhuis van Lubbeek. Daardoor werkte ik terug maar halftijds bij de Bouworde. In het ziekenhuis organiseerde ik, buiten mijn bezoekjes aan de zieken, ook activiteiten met de verpleegsters: uitstapjes, kerstviering,… maar die moesten steeds doorgaan in het ziekenhuis zelf. Daardoor groeide de idee om een (groot) huis te kopen: een deel als gemeenschapscentrum en een deel als woonhuis. Op 1 mei 1975 zijn wij hier in dit huis in de Broekstraat ingetrokken en de volgende dagen hebben wij met een groepje geïnteresseerden vergaderd over wat de functie en de naam van ons centrum zou zijn. Op de naam zijn wij heel toevallig gekomen. Er was iemand die niet naar de vergadering kon komen en die een briefje achterliet met "aan de mensen van het geleeg". De bedoeling was om samen te zoeken naar het antwoord op de vraag: "Hoe kan men in deze tijd als christen leven?". Met deze gedachte in het achterhoofd werden er bijbelavonden en studie-avonden over Broederlijk Delen en andere vormen van ontwikkelingssamenwerking georganiseerd. Verder was er ook een permanente tentoonstelling van artisanale producten en stelde ik mijn persoonlijke bibliotheek ter beschikking. Om alles in goede banen te leiden, werd er minstens acht keer per jaar vergaderd. In 1976 begonnen wij met de verkoop van de Mayahoning (zie verder) en werd er een spaaractie van kroonkurken georganiseerd. In 1977 deden we een actie in verband met kringlooppapier en gezond en rechtvaardig voedsel. Na een uiteenzetting over Amnesty International ontstond er in 1980 een schrijfgroep van Amnesty. In 1982 en 1983 werd het voedselproject van '77 hervormd. De nadruk kwam te liggen op rechtvaardigheid."
"Miel Maya Honing"
"In 1978 ben ik na drieëntwintig jaar definitief met de Bouworde gestopt. Het was genoeg geweest en bovendien had Broederlijk Delen mij gevraagd om voor hen te werken in mijn streek. Twee jaar vroeger, in 1976, liep ik op een gegeven moment in Antwerpen langs een wereldwinkel. Ik zag daar een potje "Mayahoning" staan. Ik kocht het en zocht de invoerder op, die in Esneux (bij Luik) woonde. Het bleek een pastoor, genaamd Paquot te zijn. Reeds bij onze eerste kennismaking vroeg hij mij of ik die honing niet in heel Vlaanderen wilde propageren. Omdat te doen, heb ik een netwerk van vrijwillige verkopers opgericht. Een jaar later vroeg diezelfde pastoor mij of ik niet in de raad van bestuur wilde komen. Doordat de honing door vrijwilligers werd verkocht, werden er natuurlijk grote winsten gemaakt. Deze gelden werden gebruikt om verdreven indianen in de Petén, in het noorden van Guatemala, te helpen. In het begin van 1976, het jaar waarin Guatemala werd geteisterd door een zware aardbeving, ging pastoor Paquot er voor het eerst kijken. Hij werd er rondgeleid door Hugues Bruyère, de priester die er voor had gezorgd dat de vijftiental nederzettingen langs de rivieren de Rio de la Pasion en de Usumacinta één coöperatieve vormden. Hij stelde daar vast dat de lokale bevolking met tonnen overschot aan honing zat, omdat de markt veel te ver was. Hugues Bruyère vroeg aan Paquot of hij die honing niet zou kunnen verkopen in België. Paquot dacht van wel en organiseerde op missiezondag in Luik een grote honingverkoop. Uiteindelijk ging deze verkoop slechts door met Kerst, omdat het eerste schip met een lading honing zonk. Op deze wijze is de verkoop van de Mayahoning begonnen."
Naar Guatemala
"In 1977 werd ik dan lid van de raad van bestuur. In 1978 vroeg men mij om eens naar ginder te gaan. Dat heb ik gedaan. "Ginder" zei ik: "Wij zouden hier een gestructureerd ontwikkelingsproject in gang moeten kunnen zetten." Om dat project te verwezenlijken ben ik in 1979 en in 1980 er nog teruggeweest. Ons project besloeg drie onderdelen. Ten eerste was er het onderdeel landbouw, waarbij volwassenen werden ondersteund en begeleid in de gezamenlijke aankoop van zaken en waarbij de jongeren werden gevormd (zoals in Venezuela). Ten tweede was er vorming op het gebied van de gezondheid. Er was een dokter in de regio, die les gaf aan gezondheidswerkers. Zij werden niet opgeleid als dokter, maar leerden om vast te stellen wanneer de dokter moest worden verwittigd. Zij stonden onder de controle van de arts, die met zijn bootje van dorp naar dorp voer. Tijdens zijn controles gaf hij ook wat les aan de vroedvrouwen en de moeders in verband met verschillende zaken, zoals hygiëne. Als derde onderdeel was er de algemene vorming, die de bedoeling had om mensen bewust te maken van de politieke situatie. Begin 1980 ging het project bijna volledig van start. Alleen het opleidingscentrum voor jongeren functioneerde nog niet om de eenvoudige reden dat er nog geen gebouw was. Maar in juni 1981 viel het leger binnen in El Arbolito, waar het gezondheidscentrum zich bevond. Zij verwoestten alles! Iedereen sloeg op de vlucht. Ongeveer de helft van de mensen trok naar Mexico, een kwart trok dieper het oerwoud in en een kwart ging naar het hooggebergte. Zij die het oerwoud introkken, konden rekenen op de steun van de guerilla. Miel Maya is die mensen blijven steunen, zolang er nog contact was. Vanaf 1990 is Miel Maya ook andere projecten (tevens van niet-imkers) in Guatemala beginnen te steunen."
Naar Sri Lanka
"Datzelfde jaar, in 1981, ging ik nog met Broederlijk Delen op expeditie naar Sri Lanka om er te onderzoeken wat er allemaal nodig was om de geplande inleefreizen te doen slagen. De deelnemers van een dergelijke inleefreis krijgen een jaar lang voorbereiding in de vorm van weekends over de taal, de cultuur en de werking van de vereniging in kwestie. In Bombay misten we wegens een vertraging onze aansluiting naar Madras. Vermits de volgende vlucht slechts de volgende namiddag was, werden wij ondergebracht in een hotel. Vanuit dat hotel hadden wij zicht op de slums, waar we door hadden gewandeld. De volgende dag werden wij in Colombo afgehaald door Cyrill Anthony, bij wie wij zouden verblijven. Hij gaf ons nog diezelfde avond een uiteenzetting over de geschiedenis, de cultuur en de problematiek van het gebied. Wij zijn tot twee uur 's nachts bij hem gebleven en de volgende morgen vertrokken wij om vijf uur! Na een uur rijden, kregen wij autopech: een asbreuk. Maar aangezien wij bij een palmplantage waren, konden wij het aangename aan het onaangename koppelen door er een bezoek aan te brengen. In Sri Lanka was er een hele rondreis georganiseerd. Wij gingen naar een vissersdorpje met enorm lieve mensen, bezochten een theeplantage in Kandy, waar wij eerst een inleiding kregen over het systeem en namen deel aan een studiedag met boeddhistische monniken, dominees en enkele katholieke priesters in een boedhhistisch klooster.
Nawoord
"Beste lezer, dit is maar een fractie van het leven van José. Hoe dikwijls heeft hij niet gezegd: "Maar als je dat ook nog allemaal moet opschrijven, dan wordt het echt te veel!". Hoe meer hij vertelde, hoe meer het mij verbaasde hoeveel data hij nog wist, alhoewel hij zelf vond dat hij er veel vergeten was. Maar dat komt wellicht door zijn hoge eisen tegenover anderen en vooral tegenover zichzelf. Alles wat hij heeft gedaan, deed hij omdat hij vond dat het nodig was. Hij zette zich er dan ook met hart en ziel voor in. Als je zijn verhalen hoort, weet je dat één persoon wel degelijk het verschil kan maken en dat ouder worden geen synoniem is voor inactiviteit, verveling en klaagzang. Op dit moment worden er in Het Geleeg taallessen aan vluchtelingen gegeven door vrijwilligers, is er een wereldwinkel en blijft het openstaan voor iedereen die een sociale actie wil ondernemen. José zelf wordt nog zeer veel aangesproken en gecontacteerd door NGO's (niet-gouvernementele ontwikkelingsorganisaties) omwille van zijn talenkennis en uiteraard zijn vele contacten, verspreid over de hele wereld. Hij doet ook vertaalwerk voor WERVEL (Werkgroep voor rechtvaardige en verantwoorde landbouw). Verder doet hij nog pastoraal werk in een rusthuis en springt, naar vermogen, bij in de omliggende parochies."



















