www.congo-1960.be

Network: | groep facebook congo-1960 | sponsors congo-1960 | Agenda | contact |
Getuigenissen, Témoignage, Testimony |
Culture - Kultuur |
Wedstrijd 2012 |
Intro documenten - Intro documents |
Livres - Boeken |
Leopoldville | Kasai | Kivu | Ruanda Urundi | Katanga | Equateur | Orientale |
Brieven - Lettres |
Newsletter - Nieuwsbrieven
Photos / Foto's - Video |
Bedrijven - Entreprises|
Avis Divers - Diverse Berichten |
Envoyez-nous vos témoignages et photos et gagnez un livre.
Stuur je getuigenis of foto's en win een boek.

© Getuigenis
Freddy Korthoudt
N° 018

 

Collectez des points pour les participants du concours - verzamel punten voor de deelnemers van de wedstrijd

Votez pour les textes via le site - Stem via de site door on-line te stemmen

Ik leefde in Belgisch Congo - ik vluchtte uit Congo in 1960

 

Herinnering aan mijn jeugd.
Nu ik 40 jaar terug in België ben en mijn kleinkinderen rond mij zie vind ik de tijd aangekomen om voor hen de herinneringen aan mijn jeugd even vast te leggen.

In 1947, toen was ik nog maar pas geboren, werkte mijn vader als “Markeur” aan de haven van Antwerpen. Een van zijn vrienden vertrok toen naar Belgisch Kongo, onze toenmalige kolonie. Na het lezen van de verhalen van zijn vriend die vertrokken was, besloot mijn vader ook zijn toekomst in onze toenmalige kolonie te gaan zoeken.

Na het vervullen van alle administratieve en medische verplichtingen zijn wij dan in 1949 vertrokken.
Het was toen voor mijn ouders niet zo gemakkelijk. Weg naar een ver land, 6800 km van huis en alles achterlaten: ouders, broers en zusters, vrienden en alle andere banden. Dat was niet zo evident in een land dat 80 maal groter is dan België met toen 11 miljoen inwoners waarvan 44.000 Europeanen. Het was voor mijn ouders een hele aanpassing.

De eerste maal vertrokken we per vliegtuig vanuit Melsbroek met bestemming Leopoldstad. De vlucht van 21 uur gebeurde met twee tussenlandingen, één in Tripoli (Libië) en één in Kano (Nigeria) waar er telkens moest bijgetankt worden.1949 reis met de boot van Leopoldstad naar Stanleystadfoto : 1949 reis met de boot van Leopoldstad naar Stanleystad
Toen wij aankwamen in Leopoldstad waren wij nog niet aan het einde van onze reis. De plaats waar mijn vader moest gaan werken lag helemaal in de brousse. Eerst moesten we nog van Leopoldstad naar Stanleystad met de boot op de Kongostroom . Dit is een reis van 1740 km die in 12 dagen afgelegd werd. Het was nog met een echte stoomboot met een radwiel die iedere avond moest aanleggen om de hout voorraad aan te vullen. En dan van Stanleystad verder met de vrachtwagen nog een kleine 700 km de brousse in. Je moet wel weten dat in die tijd de wegen meestal pistes waren en dat, om een afstand van 350 km af te leggen, men ongeveer 24 uur nodig had.

1950 in de Ituri bij de pygmeeënEindelijk ter plaatse. foto : 1950 in de Ituri bij de pygmeeën We waren in het midden van het oerwoud, geen winkels, geen huizen, geen school, geen dokter en geen andere "blanke". Voor mensen die uit een grote stad kwamen was dit wel een hele aanpassing om gedropt te worden “In the middle of nowhere”.

De streek waar we voor het eerst aankwamen was het noordoostelijk deel van de Oostprovincie in de “Ituri”, de streek van de pygmeeën. Wij hadden geen huis en leefden in een hutje zonder comfort zoals de zwarte.

Nu kon mijn vader aan zijn opdracht beginnen: de bouw van de weg tussen N'Duye (Beni) - Mambasa in het district van de Ituri. Maar voor hij aan de werf kon beginnen moest hij eerst zorgen voor onderdak voor zijn gezin. De eerste taak was dan ook het bouwen van een huis voor vrouw en kind. Alles moest ter plaatse gemaakt worden, stenen maken en bakken, bomen hakken om planken en balken te hebben . Hij had wel een goede ploeg arbeiders. Hier zouden wij blijven tot begin 1951.
1949 reis met de boot van Leopoldstad naar Stanleystad
1950 in de Ituri bij de pygmeeën

1949-1950 Mijn vader met zijn arbeiders bij het aanleggen van de baan N’Duye-Mambasafoto : 1949-1950 Mijn vader met zijn arbeiders bij het aanleggen van de baan N’Duye-Mambasa
In 1951 moest mijn vader een Baileybrug bouwen over de rivier “Rubi” in het stadje Buta in de Oostprovincie. Nu waren we aangekomen in een stad. Er woonden 200 Europeanen, vrouwen en kinderen inbegrepen en een kleine 9000 zwarten. De brug die gebouwd moest worden bestond uit drie pijlers waarop de Baileybrug geplaatst moest worden. Alles wat moest gebeuren was handwerk. Er waren geen machines om dit te doen. In het midden van de rivier moest een pijler komen. Eerst moest er een vierkante dam gebouwd worden rond de plaats in de rivier waar de pijler moest komen. Daarna moest met emmers het water uit het midden van deze dam gehaald worden om daarna de pijlers in steen op te metsen. Op de oevers was het bouwen van de twee andere pijlers wat gemakkelijker. Daarna moest de brug ineen gestoken worden zoals een “Meccano” en dan werd het gevaarte op houten boomstammen over de pijlers gerold om het op zijn plaats te zetten.

Het was in Buta dat ik op 6 jaar mijn eerste communie deed samen met nog enkele andere kinderen van de “blanke” gemeenschap.

foto : 1951 Bouw van de brug in Buta
1951 Bouw van de brug in ButaIn 1953 was de brug klaar en wij vertrokken dan weer naar een nieuwe werfplaats. Deze keer moest er in de missiepost Ganga, midden in het oerwoud een hospitaal voor de zwarte bevolking gebouwd worden. Het was een ultra modern ziekenhuis waar de missiezusters de verzorging op zich namen. De Belgische dokter die er maandelijks langs kwam moest aan de lopende band de mensen, die soms dagen gelopen hadden, verzorgen of opereren.
Na het voltrekken van dit hospitaal, weer verhuisd naar een andere plaats waar een “Sociaal Centrum” moest gebouwd worden. Zo’n centrum bestond uit een dispensarium, een schooltje voor de zwarte bevolking en een huis voor de doorreizende dokter of maatschappelijke werker.
Wanneer dit afgewerkt was gingen we weer verder naar de plaats van de volgende werf, deze keer voor het bouwen van toegangshellingen voor een veerpont in Amadi en Bambili, twee missieposten aan de oever van een rivier. Daar kwamen s‘nachts de nijlpaarden in onze tuin om de groenten en gewassen die mijn moeder had geplant op te eten.
Ondertussen was ik 6 jaar en schoolplichtig. Ja, maar er was geen school in de buurt, het dichtstbijzijnde college was op 600 kilometers! Dus naar het pensionaat en om de 3 maanden met de vakanties naar huis. Dit was steeds een hele expeditie. Vader stuurde een chauffeur van op de werf waar hij was naar Stanleystad op mij te komen ophalen. Dit was 3 dagen rijden, dan terug naar huis. Toen wij, de chauffeur en ik, midden in de nacht aankwamen in het doortrek huis waar ik mijn ouders moest vinden, waren er al andere bewoners. Mijn ouders waren weeral verhuisd naar een volgende werf. Terug de “Jeep” in en weer verder rijden.
Dit werd zo moeilijk dat mijn moeder dan maar besloot om mij niet meer naar school te sturen. In iedere plaats waar mijn vader moest werken was er wel een missiepost met een priester en nonnekes en die zouden mij dan wel les geven.

Ik groeide op tussen de zwarte werklieden van mijn vader en hun gezinnen. Buiten de lessen die ik van de zusterkes kreeg vulde ik mijn dagen met vissen, jagen en op de werven van mijn vader rondlopen. Het was een leven zonder
1949-1950 Mijn vader met zijn arbeiders bij het aanleggen van de baan N’Duye-Mambasa
1951 Bouw van de brug in Buta

zorgen vol ongelofelijke ervaringen in de natuur en met de inheemse bevolking. Dit zijn ervaringen die diep in mij gegrift zijn en die mij heel mijn leven hebben begeleid en geleid.
1956 - Ons huis in Stanleystad
foto : 1956 - Ons huis in StanleystadEind 1956 werd mijn vader in Stanleystad benoemd op de dienst openbare werken tot verantwoordelijke voor het onderhoud van de huizen van de regering. Stanleystad (Kisangani) was de hoofdstad van de Oostprovincie. Een stad van +/- 2000 Europeanen en een klein 30.000 zwarten, ik kon naar school en vrienden hebben, er was een zwembad, hotels, winkels en zelf een cinema. Ik was 9 jaar en had dit nog niet gezien.

Wij woonde in een groot huis met tuin in een volledig nieuwe wijk. Ik ging naar school bij de Jezuïeten, was bij de scouts. Het was een openbaring voor mij. Alles liep voor mij als een trein, het was als kind een dagelijkse ontdekking van vrijheid en ruimte.

Midden 1959 begonnen de onderhandelingen over de onafhankelijkheid van de Kongo en stilaan werden de eerste spanningen voelbaar. De spanning tussen blank en zwart werd door deze evenementen ook groter.

Er braken in de straten regelmatig relletjes uit, de eerste plunderingen van winkels gebeurden en ook de eerste verkrachtingen van vrouwen. Het was een strijd tussen de verschillende jong opgerichte politieke partijen om de meeste leden te werven. De nieuwe toekomstige leiders beloofden aan de bevolking de hemel op aarde: een kaart van de partij kopen en je zou met de onafhankelijkheid de vrouw van je baas mogen houden, twee kaarten en je zou ook zijn auto mogen hebben, drie kaarten dan mocht je in zijn huis wonen.
Na de onafhankelijkheidsviering van 30 juni 1960 begonnen de rellen serieus. Er vielen doden bij de Belgen en onze Belgische para’s werden ingezet om de Europeanen te bevrijden, een luchtbrug werd ingezet en wij werden naar België overgevlogen.
Toen kwam ik als dertienjarige in Antwerpen terecht, een stad die ik helemaal niet kende buiten de korte verlofperiode die ik er met mijn ouders om de 3 jaar doorbracht.

Daar mijn ouders niet wisten hoelang ze hier zouden moeten blijven en of zij al dan niet zouden kunnen teruggaan naar onze voormalige kolonie begon mijn vader met de bouw van het ouderlijk huis in Boekenberglei, waar ik nu nog woon. Wij trokken voorlopig in een appartement op de gelijkvloerse verdieping van de Lanteernhofstraat 5, niet te ver van de werf zodat mijn vader de werken in het oog kon houden. De aanpassing was enorm, ik was in een andere wereld terecht gekomen.

In september ging ik dan voor de eerste maal naar een school in België. In maart 1961 was onze woning af en verlieten wij het appartement.

Er rees weer wat hoop, er was sprake van dat mijn vader terug zou gaan naar Kongo. Uiteindelijk werd er beslist dat hij in het kader van de Belgische Technische Bijstand zou teruggaan maar de echtgenote en de kinderen mochten niet mee. Dit was een teleurstelling voor mij. Maar het duurde niet lang of mijn moeder had alles in het werk gesteld om allemaal weer samen onder de tropische zon verenigd te zijn.

Mijn eerste contact met onze vroegere kolonie was verrassend. Er was al heel wat verwoest en er heerste een gevoel van onveiligheid. Nochtans werd ik dit snel gewoon en met de vrienden op school konden wij zeer goed onze draai vinden. Het onverschillige leventje van de jeugd in Afrika kon terug zijn gang gaan. School in de voormiddag, in de namiddag zwembad, de ritten met de motor en s’avonds talrijke fuiven. Het was avontuurlijk, spannend en soms ook wel gevaarlijk. Er waren ongelofelijk veel controles politie en militairen, maar als kind van kleins af in 1956 - Kongo opgegroeid waren wij halve zwarten. Veel meer dan ons ouders waren we geïntegreerd en aanvaard. Wij glipten overal tussen en konden palaveren met de negers zoals zij dit zelf deden, en ons eruit praten. Onze ouders hadden heel wat meer problemen.

Nochtans begonnen in 1963 de spanningen weer toe te nemen. De Oostprovincie waar wij leefden was steeds een rebelerende streek van Kongo geweest en men kon de tegenstand tegen het centraal beheer goed voelen. De groepen rebellen kwamen op en in 1964 barstte de hel weer los. Alle blanken werden weeral opgepakt en gevangen gezet. Plunderingen en verkrachtingen zowel van de inlandse bevolking als van de Europeanen konden weer zegevieren.

Kindsoldaten, door de tovenaars opgefokt en onder invloed van de drank en drugs, waren het ergst. Zij dachten dat ze onsterfelijk waren, de kogels die op hen kwamen zouden gewoon in druppels water veranderen.

President Mobutu die aan het bewind was in Kinshasa, gesteund door de Belgen en de Amerikanen, huurde enkele huurlingen in om aan het hoofd van een deel van zijn leger de streek te veroveren. Na 300 dagen, onder de leiding van Jean Schramme en Bob Denard werd Kisangani (ex-Stanleystad) weer bevrijd. De Belgische paras en het Franse Legioen kwamen de Belgen repatriëren naar de hoofdstad Kinshasa.

1966 - Met school vrienden in de brousse1966 - Met school vrienden in de brousse
Na enkele weken verlof om op rust te komen kon mijn vader weer aan de slag als directeur van een technische school voor volwassenen in Kinshasa en ons leven kon terug zijn gewone gang gaan. Ik eindigde mijn humaniora en begon aan mijn studies van maatschappelijk assistent.

Buiten de geregelde spanningen en de opstootjes die er regelmatig gebeurden tegen het regime van Mobutu, zoals in 1967, was het een vrij rustig leven en dit hoewel je nooit zeker was van hoe de toestand zou uitdraaien. De bevolking was hoe langer hoe meer onder de invloed van de nieuwe partij van Mobutu en werd hoe langer hoe armer. Alle middelen waren goed om wat geld te verdienen. De politie en de militairen deden meer en meer controles om wat geld van de Blanken af te troggelen. Dit was normaal want ze werden door de overheid niet meer betaald en hadden op die manier toch iets om hun gezin te onderhouden. Begin 1968 werd ik, na een bezoek aan de bioscoop, nog aangehouden door militairen van de presidentiële garde en moest alles afgeven. Ik had geluk, ik kon in mijn onderbroek naar huis. Mijn vriend die een week later op dezelfde plaats overvallen werd bekocht het met een kogel in de borst. Gelukkig kon hij spoedig verzorgd worden en kwam alles goed met hem.

Uiteindelijk werd voor mijn vader de definitieve terugkeer naar België geregeld. Hij zou eind van het schooljaar 1967-1968 terugkomen.
Zo kwam ik dan eind augustus 1968 terug in de Boekenberglei wonen, in het huis waar ik nu nog steeds woon.
1966 - Met school vrienden in de brousse

Kaart met plaatsen waar wij verbleven.

Kaart met plaatsen waar wij verbleven.

 


 

About Us | Site Map | Privacy Policy | Contact Us | ©2001-2012 Congo-1960