Marcel Schuer
Hello Congo Adieu
Marcel Schuer
DE BRUG.
Hoe verder we gaan hoe dichter het woud wordt. We voelen de koelte en de bijna doodstille donkerte in deze kathedraal van reusachtige bomen waar het zonlicht nauwelijks doorsijpelt tot in het dichte
struikgewas.
Naarmate we vorderen, hebben zelfs de
dragers opgehouden te zingen. De planton wijst hen
grote hopen mest aan, waarop honderden prachtige
vlinders zich zat lijken te drinken. Er is 's nachts een
kudde olifanten voorbij getrokken, vertelt hij.
De
baan versmalt ook en hier en daar zijn er plassen overgebleven van de seizoenregens. De 'cantonniers
'hebben blijkbaar hun werk niet goed gedaan, denkt
Marcel.
Laat in de namiddag wordt de brug bereikt, het dorp wordt in de vefte zichtbaar. De dragers kondigen hun aankomst aan met schrille geluiden, maar niemand schijnt ons te verwachten. We stoppen aan de brug, die er werkelijk erbarmelijk uitziet, met smalle loopplanken over de nog bestaande pijlers; de rest is weggerot. De dragers schijnen er geen problemen mee te hebben, ze dansen erover. Wij volgen behoedzaam, stapje voor stapje, veertien meter.
Als we een beetje verderop in het dorp aankomen, is
er niemand te bespeuren. Behalve een uitgemergelde
hond, is het dorp leeg. De planton zoekt het beste
huis uit, waarschijnlijk de vroegere gite d'étape en
laat de dragers de boel opkuisen. De boy kijkt
beduusd toe.
Marcel vraagt zich af wat er gaande is;
hij zendt de planton op verkenning, die even later
terugkomt met een oude man die nauwelijks op zijn
benen staat.
Van hem leren we dat de bewoners wisten dat we op
komst waren om de brug te repareren, maar het
rivierwater is, om de een of andere reden, taboe
geworden. Daarom is iedereen in het woud gevlucht.
Ze spelen twee dagen verstoppertje, dan ontwaren we rookpluimen, die uit enkele schamele huisjes komen : de vrouwen zijn terug. We worden ongezien bekeken. Colette voelt het, ik ook, maar heb het druk om een systeem te bedenken dat het taboe zou moeten omzeilen....

Eindelijk komen enkele mannen bedeesd uit het bos, voorafgegaan door onze planton. Heeft hij, via hun vrouwen, getracht ze te overtuigen en hun nieuwsgierigheid aante wakkeren ?
Voor het eerst zien we Zwarten, helemaal in het rood! Hun haren, hun gezichten met scherp-geslepen tanden, rood, hun lichaam met de brede band van luipaardvel, waarover en tussen de benen een rode pagne hangt, ALLES ROOD. Zljn dir Indianen ?
Wat ook opvalt is hun langere lichaamsbouw, hun
gespierde arrnen en benen, naakt, op enkele ringen of
gevlochten olifantenharen na. De vrouwen, die op
afstand voorbijschuiven om niet opgemerkt te
worden, hebben een haartooi die op rode kersen lijkt.
Hun hals, hun armen en benen, met rood poeder
bedekt, zijn versierd met koperen ringen, die bij
sommige vrouwen wel enkele kilo's moeten wegen.
Ze zijn volledig naakt, op een schaam- en achterlapje
na, alles ROOD ! Ze versleuren bundels takken op
hun hoofden terwijl ze de kinderen, reeds rood vanaf
de geboorte blijkbaar, op de heup dragen. Dit volk is
geheel anders dan de Zwarten, die we vooraf
ontmoet hebben. Dit zijn woudbewoners, die er een
volledig andere manier van leven op nahouden, niet
te vergelijken met de mensen uit de savanne.
De planton is een machtige tovenaar. Hij bereikt dat er de volgende morgen een tiental Kundu's, als krijgers uitziend, met machetes en kleine bijltjes, aan de groet van de vlag staan !
Ik doe alsof ik alles normaal vind. We begeven ons
tot aan de brug. lk zie de angst in het wit van hun
ogen, die mijn blik vermijden. Ik doe teken me te
volgen. Het rode poeder op hun lijven verspreidt een
onverdraaglijke geur. Daar, in het zand bij de rivier, teken ik met een stokje mijn gedroomd project.
Ze
kijken allen aandachtig toe als kinderen die iets
nieuws zien. Met gebaren leg ik uit wat de tekening
wil zeggen : over een stel boomstammen komt een
houten blok met uitlopers zoals van die bomen
daar... Door een opening bovenaan moet een liaan-kabel bevestigd worden, die jullie - ik duid ze een
voor één aan- naar omhoog trekken en dan plots
loslaten om op de nieuwe pijlers te vallen.
Het wordt stil. Ze bekijken mij, de tekening, dan mekaar. De spanning is voelbaar. Opeens, uitbundig, slaan ze elkaar op de rug en krijsen me toe : " eeeh, eeeh, Mondeleeee!
Ik heb nooit betere ingenieurs aan het werk gezien.
Plots waren ze met tien, dan twintig en meer die uit
het bos kwamen. Zonder verdere uitleg kapten ze het
houten valblok, met piepkleine bijltjes; anderen
brachten sterke lianen aan en maakten er een lange
kabel van. Anderen verdwenen een poosje en
kwamen terug met slanke boompjes voor het stel dat
als glijbaan moest dienen. Alles werd keurig aan
mekaar bevestigd, volgens plan.
In bijna twee weken hebben we een praktisch nieuwe brug gebouwd. De pijlers werden met het 'systeem' in het slijk geslagen. Als apen tussen de dwarsbalken hangend, schuw 'lachend om hun ontblote mannelijkheid te verbergen, werden pijlers en opleggers netjes met dikke lianen vastgesnoerd.
Waar ze de planken vandaan haalden, weet ik niet. Maar op een dag, was de brug af.
Colette en ik hebben daarna een explosie van
ongeziene blijdschap meegemaakt. Heel de
bevolking, de mannen, fier over hun werk, hun
hoofd getooid met prachtige pluimen, gevolgd door
een rode massa van vrouwen en kinderen, op hun
best uitgedost met hun koperen rijkdom om hals en
ledematen, hebben meermalen over de brug gedanst.
Uit hun kelen kwamen de meest schrille geluiden
ooit gehoord.
Het feest heeft de hele dag en nacht geduurd. Sommige jagers moeten op jacht geweest zijn wwtt overal tussen de huisjes hing de geur van barbecue. Het dorp was vol volk dat blij rondliep en bezig was.
Ook had de planton ons een kleine Mboloko
(woudantiloop) overhandigd, hun geschenk, dat de
boy aan het bereiden was. Het smaakte als konijn.
We voelden ons gelukkig aanvaard door deze heel bijzondere mensen in het rood; aan hun lijfgeur moesten we nog wennen.


















About Us