www.congo-1960.be

Network: | groep facebook congo-1960 | sponsors congo-1960 | Agenda | contact |
Getuigenissen, Témoignage, Testimony |
Culture - Kultuur |
Wedstrijd 2012 |
Intro documenten - Intro documents |
Livres - Boeken |
Leopoldville | Kasai | Kivu | Ruanda Urundi | Katanga | Equateur | Orientale |
Brieven - Lettres |
Newsletter - Nieuwsbrieven
Photos / Foto's - Video |
Bedrijven - Entreprises|
Avis Divers - Diverse Berichten |
Envoyez-nous vos témoignages et photos et gagnez un livre.
Stuur je getuigenis of foto's en win een boek.

Jean Suys

De bijen van Kimbambili

 

 

Na ons vertrek uit Mushie kwamen we voorbij “Kimbambili” op de rechteroever van de Kasaï.  Kimbambili is maar een dorpje met een handvol hutten zoals er zoveel zijn maar het heeft toch iets bijzonders.  ’s Avonds en ’s nachts wordt het net zoals Kinshasa verlicht met neonbuizen.  Bandundu daarentegen, de hoofdstad van de gelijknamige regio BANDUNDU, baadt ’s nachts in volslagen duisternis, net zoals Mushie en Ilebo en nog andere steden die verstoken zijn van elektriciteit, de stroomgeneratoren van sommige particulieren niet te na genomen.

               Brison had mij de legende van Kimbambili verteld en ik vertel ze op mijn beurt.

               Op een dag had President Mobutu beslist een staatsiebezoek te brengen aan Mushie en met zijn prachtige, reusachtige  plezierjacht, de “Kamanyola” wilde hij er aanmeren.  Tussendoor vermeld ik even dat President Mobutu niet bepaald geliefd is in Mushie.  Ikzelf heb er nooit iets goed horen vertellen over de President.

               Hij was nog maar nauwelijks aan land of  de bijen verschenen op het toneel.   De dorpsouderen hadden ze opgedragen de bezoekers aan te vallen.  Dat deden ze met zoveel overtuiging dat Het Staatshoofd wel verplicht was verder de Kasaï op te varen en hij was gestopt in Kimbambili, enkele kilometer stroomopwaarts.  Daar werd hij ontvangen met passend eerbetoon.  Uit erkentelijkheid had hij het cadeau voor Mushie aan het dorp aangeboden: de stadsverlichting en voldoende brandstof om de generatoren jarenlang te laten draaien.  En nu kunnen we in volle woud die paar hutten en aardewegen bewonderen die ’s avonds volop verlicht worden door elektrische lantaarns.

               Toen we enkele dagen voordien in Ilebo aan het lossen waren kwamen enkele mensen aan boord om plaats te reserveren voor een lading van ongeveer vierhonderd zakken, hetzij een dertigtal ton.   Ze kwamen uit een klein gehucht van enkele hutten op een vijftiental kilometer stroomopwaarts van Ilebo, in de buurt van “Sanga-Sanga”.   De avond voor ons vertrek kwam een kreupele prauwvoerder ons die reservatie bevestigen en hij drong erop aan dat ik toch vooral niet zou vergeten in zijn dorp aan te meren.

  1. Een prauwvoerder zal je tegemoet varen, Baas, om de kapitein de juiste ligging van het dorp te wijzen, verduidelijkte hij.


               In werkelijkheid had ik geen woord begrepen van zijn gebrabbel maar Leki tolkte en daarna heb ik Shango op het hart gedrukt dat hij het dorp, onze eerste laadplaats, zeker niet mocht missen.

               De zon brandt en alle dieren met pluimen of  haren, op twee of op vier poten, liggen geveld door de hitte en houden zich gedeisd.  Geen zuchtje wind te bespeuren.  Op de oever, waar we op twintig meter langs varen, is er geen blaadje op een boom dat roert… behalve iets als een grote waaier, een soort dwergpalm die heen en weer beweegt alsof een onzichtbare hand hem schudt.  We zijn maar aan het begin van onze terugtocht naar Kinshasa en het handvol passagiers zit ook te dommelen.  In die tropische loomheid is de hele wereld van de levenden aan het wachten… zelfs niet, hij bestaat gewoon, maar futloos, zonder gedachten, bijna verdoofd.

               Ik zit in mijn kajuit, de deur staat altijd open en het water stroomt voorbij.  Ik zit te suffen voor mijn blad met statistieken, badend in het zweet, languit doorgezakt in mijn zeteltje terwijl Anna zachtjes ligt te snurken op mijn bed.

               Een prauw komt langszij tegen de duwboot, bijna voor mijn neus en haalt me uit mijn zoete droomwereld.  Even later hijst zich de gerimpelde en kreupele prauwvoerder van de vorige dag aan boord.  Leki heeft hem daarbij geholpen.  Hij vraagt meteen of hij me kan spreken en staat voor me met een voorhoofd dat meer rimpels vertoont dan een appel die de winter in de kelder heeft doorgebracht. 

               Ik ben uit een zalige slaap gerukt en nog suf.  Ik krijg moeizaam een “Mbote papa ” over min lippen.  Hij buigt voor me en slaat zijn handen stil tegen elkaar om zijn grote eerbied te betuigen en begint dan een litanie af te ratelen waarvan ik niet meer begrijp dan bij onze vorige ontmoeting.

“Wat vertelt hij, Leki ?

               Leki heeft het ook niet goed begrepen en laat hem vaak zijn verhaal opnieuw doen om er zeker van te zijn dat hij het gesnapt heeft.  Aarzelend vertaalt hij dan:
- Hij zegt, Baas, dat je niet moet stoppen in het dorp om te laden.
- En waarom wel ?  Gisteren is hij nog de vracht komen bevestigen.  Wat is dat weer voor een negerhistorie ?

Er ontspint zich een nieuw palaver met Leki, en dan komen Cent-Vingt en Brison nog ter hulp en tenslotte Anna die gewekt is uit haar siësta en die zich plots haar heilige zending herinnert: mij behoeden voor kopzorgen.

               Mijn klein raadgevend en beschermend comité staat rond de voorouder.  Ik begrijp nog steeds geen woord van zijn brabbeltaaltje dat een mengeling is van Tshiluba, Lingala en Swahili met nog wat ingrediënten uit het dialect van zijn dorp erbovenop.   Tenminste, dat vermoed ik.

               Uiteindelijk weet Leki me te vertellen dat de oude ons waarschuwt dat het gevaarlijk zou zijn in het dorp aan te leggen wegens een geschil tussen de plaatselijke “tovenaar” en de handelaars uit Kinshasa die levensmiddelen zijn komen kopen.  Die hebben geweigerd hem de gebruikelijke vergoeding per zak te betalen.  Die vonden dat het volstond dat ze de oogsten van de dorpsboeren  kochten en dat de gewoonte om ook nog een oude tovenaar te moeten “smeren” niet meer van deze tijd zijn.  De oude tovenaar heeft ze toen gedreigd dat hij het laden zou beletten door zijn bijen ten aanval te sturen tegen de weerspannige handelaars.

- Baas, we moeten niet aanleggen, vond Cent-Vingt, die zich al behoorlijk begon op te winden.

               Ik kijk naar Brison.  Die opent zijn mond maar bedenkt zich dan ongetwijfeld want er komt geen woord uit.  Hij moet zich die legende van Kimbambili herinneren, maar wil tegenover mij, een Europeaan, niet toegeven dat hij er ook echt in gelooft.

- Baas, pas toch op, je weet maar nooit fluistert Leki, terwijl Anna op haar beurt te kennen geeft :
Jean, schat, je hoeft toch maar in de kajuit te gaan als de bijen aanvallen.  Bovendien is alle suiker verkocht en dan nog hebben bijen die suiker aten op de hele reis nooit passagiers “gestoord”.  Niemand werd gestoken.

               Alles bij mekaar heeft die oude niet het recht om de handelaars te beletten hun goederen te laden.   Wie weet ?  Misschien heeft hij iets persoonlijks tegen de handelaars en probeert hij hun nadeel te berokkenen !

               Shango heeft de boot toevertrouwd aan de andere kapitein en hangt over de reling van het stuurhuis.  Hij volgt het palaver aandachtig, zwijgend, maar over zijn voorhoofd loop een diepe, bezorgde rimpel.  En Antonio hangt zoals gewoonlijk aan zijn balkon, net een papegaai op zijn stokje, zonder dat hij er ook maar iets van begrijpt en hij vraagt zich waarschijnlijk af waarvoor zoveel drukte wel goed kan zijn bij een dergelijke hitte.

               Een andere prauw komt ook langszij en handelaars klimmen aan boord om het dorp te wijzen.
- Brison !  Vraag toch eens aan die handelaars wat dat allemaal is met die tovenaar en die bijen.
               Hij haast zich om dat te doen maar de afgevaardigden halen lacherig hun schouders op.
- Goed !  We meren aan zoals voorzien, besluit ik.

               De oude gaat van boord en vaart weg terwijl een van de handelaars naar de stuurhut gaat om Shango naar de juiste aanmeerplek te geleiden.

               Onze kapitein begint weldra zijn omkeermanoeuvre.  Dat is zo al moeilijk en nog meer als de schuiten leeg zijn.  Ze vangen dan veel wind en als die uit tegenovergestelde richting waait gebeurt het dat het konvooi kilometersver stuurloos afdrijft, haaks op de oever.  Ik ga op mijn beurt naar de stuurhut om de vakkennis die mijn vriend – af en toe – tentoon spreidt nog eens te bewonderen.  Zoals gewoonlijk ben ik bezorgd maar de kapitein meert aan als op eieren.  Ik geef hem een vriendschappelijke schouderklop.
- Shango, jij bent een moeilijk mens om mee te leven en je hebt een smerig karakter maar je bent een kapitein uit de duizend.

               Hij lacht, gevleid en meer dan hij wil toegeven en hij antwoordt eenvoudig: “Dank u Mijnheer Jean”.

               Het dorp ziet er rustig en kalm uit.  Handelaars komen aan boord en bedanken me dat ik aangelegd heb.  Daarna komen de gebruikelijke plichtplegingen en bewijs ik eer aan het dorpshoofd, met wie ik een kalebas palmwijn drink in ruil voor een fles SKOL.  Dan ga ik terug aan boord om een klantenlijst op te maken en ieder een volgnummer te geven bij het laden.  Alles gebeurt zonder enige strubbeling.  Er lijkt geen enkele bedreiging rond te waren en niemand spreekt nog over die kwaadwillige bijen.  Maar toch, uit voorzorg ga ik terug aan wal om de goederen te controleren eer ik het sein geef om van start te gaan.  Ik wil toch weten of er niet toevallig bijenkorven in de buurt staan want je weet maar nooit.

               Daarop begeef ik me naar de opslagplaatsen.  Die zijn gemaakt van takken en gedroogde potopoto met een dak van lang olifantengras.  De zakken liggen netjes gestapeld tot tegen het dak.  Geen spoor van bijen.  De oude kreupele die ons gewaarschuwd heeft voor het gevaar komt ons groepje vervoegen dat bestaat uit Brison, Cent-Vingt, Leki, Kibala, Totolé,  Anna en mijn viervoeter die achter de varkens wil aanzitten.  Anne loopt zoals altijd op een vijftigtal centimeter achter mij.  We komen dicht bij een vervallen hut als de oude mijn arm lichtjes aanraakt en me iets toefluistert dat Leki vertaalt.

- Baas, hij zegt dat de oude die daar voor zijn hut zit de tovenaar is.

               Ineengehurkt voor zijn hol lijkt de zogenaamde tovenaar ingedommeld maar als mijn blik op hem rust komt zijn ooglid één millimeter omhoog en gaat dan weer meteen omlaag in zijn gegroefd uitdrukkingloos gezicht.  In het algemeen groeten alle ouderen in de broussedorpen vriendelijk en eerbiedig.  Vaak lopen de jongsten en zelfs sommige volwassenen met ons mee en proberen mijn hand aan te raken alsof ik een beroemd persoon was.  Die opzettelijke onverschilligheid verbaast me en maakt me toch ook wat bezorgd, maar ik zeg er geen woord over.

               We gaan terug aan boord en ik geef de afpuntboekjes aan Totolé, Jacques, Leki en één hou ik voor mij.  De sjouwers staan klaar en wachten op mijn teken.  De oude van de prauw komt nog maar eens aan boord.  Terwijl we bezig zijn met laden wordt normaal geen enkele passagier aan boord gelaten om de sjouwers de weg niet te versperren en ook om bedrog tegen te gaan.  Hoe groter de wanorde, hoe gemakkelijker het is om te frauderen.  Cent-Vingt staat als waakhond onder bij de loopplank en hij heeft de oude kreupele zonder meer laten doorgaan, uit eerbied voor de ouderen vooral, maar ook omdat ik hem ken.  De oude lispelt nog een hele litanie die Leki me al naar gewoonte vertaalt :

- Hij zegt dat het nog niet te laat is om weg te gaan, Baas, anders zullen de bijen aanvallen.

               Een beetje kribbig – die oude begint me echt ongerust te maken – antwoord ik hem dat ik mijn woord moet nakomen en dat ik niet bang ben van enkele bijen en daarmee uit.  Hij hervat zijn gezongen mis en Leki vertaalt dat ik niet bang moet zijn voor mezelf maar alleen voor mijn klanten en dat ik niet zal kunnen bevrachten.

-Shango ! We beginnen met ruim drie, honderd zakken, oké, roep ik naar hem ?  Ik moet immers zijn gezag als kapitein toch wat respecteren
- Ja Baas, maar honderd zakken, niet meer !
- Goed, vooruit dan !  Cent-Vingt ! Roep de eerste op de lijst !

               De sjouwers lopen half naakt met een zak maïs op hun hoofd.  We laden eerst onderaan de zwaardere maïs omdat die het zwaartepunt van de schuiten verlaagt.  Er gaat ongeveer een kwartier voorbij en er valt niet bijzonders te melden.  Bij de boeg sta ik samen met de aanpunters vlijtig de tekeningetjes  in onze boekjes te noteren:  vier verticale streepjes en een vijfde daar doorheen als de zak in het ruim verdwijnt.  De mannen die belast zijn met het stapelen in het ruim zijn wit van het meel en van het stof waarin hun zweet zwarte groeven trekt.  Ze sloven zich uit.

               Plots komen uit het dorp kreten van angst.  Er gaat een golfbeweging door de mannen, een geweldige opwinding maakt zich van hen meester.  Ik sla mijn ogen op van mijn blad.  Voor mijn ogen zie ik een hallucinant spektakel dat ik nooit meer zal vergeten.  Wolken bijen, miljoenen en miljoenen vallen de boot aan, net een zwerm spreeuwen.  Ze verduisterden bijna de zon.  In groep vallen ze de dragers aan die als gekken huilend weglopen.  Ze gooien hun zak neer en sommigen die al op de loopplank waren hebben in paniek hun last in het water geworpen.  In een paar seconden zit de zwerm op mij.  Ik blijf kalm maar mijn hart bonst wild.  Ik wil de angst die me de keel toeknijpt de baas blijven maar er zou niet veel meer nodig geweest zijn om me in een recordtijd naar mijn kajuit te doen sprinten.  Alleen trots houdt me tegen.  “Noblesse oblige”, of niet soms ?  Ik gun hun het spektakel niet van een baas die in doodsangst op de vlucht slaat.  Maar al snel wordt het me duidelijk dat de razende bijen maar enkele seconden rond mij blijven draaien om dan achter de dragers en de klanten aan te gaan.
               Ik blijf uiterlijk kalm en samen met Brison, die graag in mijn buurt blijft omdat ik “bescherming” geniet, loop ik rustig over de hele lengte van de aken die ten prooi zijn aan massahysterie.  De slachtoffers krijgen dodelijke steken.  De bijen vallen aan met honderdduizenden tegelijk.  Een van onze klanten staat machteloos – wat kan hij doen ? – terwijl hij de ene steek na de andere krijgt en hij  brult van de pijn.  Iemand van de bemanning opent de deur van zijn kleine kajuit op de “K307” en de ongelukkige wurmt zich naar binnen.  Maar voor de deur terug dicht gaat vliegt er ook een horde woeste bijen mee naar binnen.  Terwijl we rustig terug naar de duwboot stappen kunnen we hem horen huilen van pijn in zijn kajuit.  Later verneem ik van de matroos die hem naar binnen had getrokken in dat hokje op de “K307” dat hemzelf niets was overkomen terwijl onze klant in bedenkelijke toestand naar een dispensarium moest gebracht worden.  Daar heeft hij dagenlang tussen leven en dood gezweefd.  Ik moet wel zeggen dat in die tijd (1994) er al een ernstig tekort aan geneesmiddelen heerste, ook in Kinshasa.

               Zonder bruuske bewegingen gaan Brison en ik naar Antonio op zijn balkon.  De bijen lijken zich niet voor Brison en mij te interesseren maar Antonio lusten ze blijkbaar ook niet.  Die zit braafjes en wat verbaasd naar het schouwspel te kijken.  Af en toe draait een zoemende wolk rond ons om zich vervolgens op een andere prooi te storten.
               Met zijn typisch Portugees accent merkt hij op:

- Je zoe wel zeggen dat ze hoen klanten kiezen, hé?  Heb je zoe-iets al oeit gezien ?
- Nee, Antonio.
- Wat ga joe doen ?

               Ik heb geen idee.  Enkele bijen zwermen weer rond ons en vliegen dan weg.  We zijn er toch niet al te gerust in maar ik wil mijn mannen nog altijd niet laten zien dat ik me  betrokken voel bij die duivelse aanval.  Brison zegt me kalm:
- Ik, Mijnheer Jean, ga toch liever terug naar mijn hut.  Je weet maar nooit.

               Hij gaat rustig weg, zonder plotse bewegingen en de bijen laten hem begaan.
- Ik denk, Antonio, dat ik de mannen ga vragen om zich klaar te maken en dan smeren we hem.  Ik ben mijn afspraak nagekomen, ik heb aangelegd in het dorp maar als we niet kunnen laden omwille van die beestjes, dan zie ik niet in waarom we zouden blijven.

- Ja, maar al joe mannen zijn weggevloecht in hoen hol.  Niemand zal naar buiten komen, te meer omdat die verdomde bijen niet de indroek geven te kalmeren.

               De paniek op de brug blijft inderdaad aanhouden met kreten, gesprint naar de loopplank, zowel erop als eraf want de woedende bijen vallen aan zowel op de wal als aan boord.  Ze zijn uitzinnig en steken om te doden en ze worden zelf ook gedood.

- Ze moeten uiteindelijk toch tot rust komen.  Dit kan niet !...  Weet je nog, Antonio, dat Brison ons dat voorval met President Mobutu verteld heeft op de heenreis ?  Die had ook een bijenaanval moeten verduren in Mushie en uiteindelijk heeft hij zijn stadsverlichting en stroomaggregaat dan aan Kimbambili aangeboden.  Ik nam dat voor een van de vele Afrikaanse legendes maar ik geloof dat ik mijn mening moet herzien.

- Ja, iek deel oew mening volkomen, mompelt de Portugees, in gedachten verzonken.

               Hoelang die waanzinnige aanval geduurd heeft weet ik niet, ik draag nooit een uurwerk en in dergelijke uitzonderlijke omstandigheden heeft tijd weinig belang.  Achteraf schat ik hem op minstens een half uur.

               Zonder te lopen, om de beestjes niet op te hitsen, ga ik uiteindelijk naar de stuurhut om de kapiteins te vragen of we zonder gevaar van deze gevaarlijke plek kunnen vluchten.

- Ja, Mijnheer Jean, ik ga de sirene laten loeien om de mannen terug te roepen maar ik twijfel eraan of de mannen die aan wal zijn de bijen zullen durven trotseren om terug aan boord te komen.

               De bruggen zijn nu verlaten en alleen de bijen zwermen rond als gek op zoek naar hun vijanden.

               Eens te meer zitten we in een dilemma met maar één mogelijke oplossing: wachten !  Ondanks mijn huidige onaantastbaarheid durf ik me toch ook niet teveel tussen die razende bijen begeven.  De mannen hebben tot nu toe veel achting voor de “Mwana Maria” die voorlopig bescherming genieten tegen de aanval van de insecten maar ik vind dan ook weer dat ik het lot niet moet tarten.  Als ik op mijn beurt het mikpunt zou worden van die ontketende beestjes, dan zou mijn imago een serieuze deuk krijgen.  Toch laat Shango de sirene loeien, je weet maar nooit.  Cent-Vingt die, zoals wij, nog altijd ongedeerd is verschijnt weldra op de brug.  Een zwerm vliegt op hem toe en draait een ogenblik rond mijn frontman.  Hij verstijft van angst maar de bijen vertrekken zonder hem kwaad te doen.  Ik roep naar hem:

- Zijn alle matrozen aan boord ?

-“ Weet ik niet, Baas… onze bemanning wel maar ik weet niets van de matrozen van de “Lileko”.

               De oude kreupele die ons gewaarschuwd had voor de bijenaanval verschijnt weer op de oever.  Hij loopt rustig over de loopplank en komt dan naar de stuurhut.

- Baas, je moet het dorp niet verlaten.  De tovenaar en de handelaars hebben een overeenkomst bereikt.  Ze gaan hem zijn vergoeding betalen en hij gaat zijn bijen terugroepen.

               Ik heb niet de tijd om mij de boodschap door Shango te laten vertalen of de zwerm verlaat het schip richting dorp, als op bevel.  Een of twee minuten later, terwijl de klanten en handelaars uit hun schuilplaatsen komen, vol builen en jammerend, ga ik aan land om de toestand op te nemen.  De oude tovenaar zit nog altijd gehurkt voor zijn hut.  Als ik voorbijloop opent hij half één ooglid en in een fractie van een seconde buigt hij bijna onmerkbaar zijn gerimpelde gezicht terwijl op zijn lippen een zweem van een spottende glimlacht verschijnt.  Daarna neemt hij terug zijn houding van mummie aan.  Tegenover zijn hut hangen enorme zwermen bijen in de bomen te zoemen.

               Ik ga terug naar mijn kajuit waar Anna me vol ontroering rond de hals vliegt.
- Heb je niets, Jean-Lief ?  Ben je niet gestoken ?
               Ik stel haar gerust, heel zelfverzekerd :
- O iebi, na zali mundele, donc mwana Maria ?  Te ?

               Als ze daar al ooit aan getwijfeld had, dan was ze er nu volledig van doordrongen.
               Geen enkele van mijn mannen is gestoken door de bijen maar de bemanning van de “Lileko” is er erg aan toe.  Ze komen me bijna allemaal een geneesmiddel vragen om op hun zwellingen te smeren.

               En dan kunnen we zonder enig probleem verdergaan met laden.  Later hoorde ik van Brison dat het gerucht de ronde deed onder mijn bemanning dat ik gewonnen had van de vloek die de tovenaars geworpen hadden en dat ik nu voortaan bescherming genoot tegen alle kwaad en zij samen met mij.

-  Dat is toch zeer goed voor uw imago, Monsieur Jean.

               Brison heeft een opleiding gehad als diplomaat en weet hoe hij me stroop rond de mond moet smeren, maar er moet toch een grond van waarheid zitten in zijn gevlei want meerdere bemanningsleden van de “Lileko” hebben mij gevraagd hen aan te werven als matroos, ondanks de discipline die ik eis aan boord.    

Mbote papa : dag papa (papa is een eretitel in Afrika)

Potopoto : modder

Ongeveer acht ton

O iebi, na zali mundele, donc, Mwana Maria ? te ?   Je weet, ik ben een Blanke en dus een kind van Maria, toch ?

 


 

About Us | Site Map | Privacy Policy | Contact Us | ©2001-2012 Congo-1960