Vlaams in Belgisch Congo

Enkele uitspraken over de nederlandse taal in Congo

Vlamingen vertellen over "een taalkwestie" in Belgisch Congo.

Het paternalistische koloniale beleid van de Belgen werd door het weekblad Knack samengevat als volgt: De Kongolees was een kind, een onmondige, die tot een soort westerling-met-een-zwarte-huid moest worden opgevoed, heel traag en heel geleidelijk, stap voor stap, van de basis naar de top. De Kongolezen zouden bijna totaal verbelgischt worden: zelfs de syndicale structuren werden overgeplant, de schoolstrijd, de taalstrijd zelfs en wel in die mate dat het scheldwoord sale flamin het equivalent van sale macaque zou worden.

In 1908 gingen met de eerste pioniers ook de eerste Vlamingen naar Belgisch Congo. Dit betekende echter niet dat er in de kolonie al dadelijk een officieel Vlaams cultuurleven kon ontstaan: de Belgische taalsituatie van die tijd werd er weerspiegeld, wat betekent dat alleen het Frans er als officiële taal werd gebruikt.
Vlaamse culturele organisaties en evenementen zouden dus enkel op basis van privé-initiatief kunnen ontstaan. Dat zou pas gebeuren tijdens de Tweede Wereldoorlog: in 1942 werd het eerste Nederlandstalige tijdschrift in Congo gesticht, Band. Daarnaast ontstonden in het hele gebied ‘Vlaamse Vriendenkringen’, toneelgroepen, schuttersgilden en volksdansgroepen.
Naast Band werd een tijdschrift voor Vlaams-Afrikaanse literatuur opgericht, Zuiderkruis, en letterkundigen, kunstschilders en toneelgezelschappen uit Vlaanderen kwamen in de kolonie hun bijdrage leveren tot wat de auteurs van Geschiedenis van de Vlaams-Afrikaanse letterkunde een ‘nieuwe persoonlijkheid’ noemen:

De Vlamingen begonnen aan te voelen dat er iets veranderde in hen. Niet een vervreemding of een afwerpen van de oude traditie doch aan de Vlaamse traditie en erfenis waren nieuwe elementen toegevoegd, door de ontmoeting met andere culturen: het obsederende Afrika, en daarnaast Franse, Portugese, Griekse invloeden... Deze nieuwe persoonlijkheid zou men noemen: de Vlaams-Afrikaanse. Gans deze ontwikkeling vinden we getekend in de letterkundige scheppingen van Vlamingen in Congo, later ook in Ruanda en Burundi. Na door de verstikkingsdood bedreigd geweest te zijn, was de Vlaming in Congo dubbel dankbaar voor de later verworven mogelijkheid te leven in groepsverband en naar eigen vormen. Dit zou een verrijking worden voor hemzelf. Het betekent ook een verrijking voor gans de Vlaamse letterkunde.

Van de Vlaams-Afrikaanse literatuur die verscheen in de koloniale tijd, van 1908 tot 1960 dus, wordt een overzicht geboden in de anthologie Geschiedenis van de Vlaams-Afrikaanse letterkunde. Dit werk verscheen in 1961, een jaar na de traumatiserende dekolonisatie van Congo. De auteurs ervan vroegen zich dan ook af "of de Vlaams-Afrikaanse letterkunde ooit nog - gelet op de politieke omkeer van heden - tot een zelfstandige letterkunde zal uitgroeien". Die vraag werd positief beantwoord. De onafhankelijkheid van Congo betekende niet het einde van de Vlaams-Afrikaanse literatuur, maar eerder een nieuw begin: de postkoloniale Congoroman bleek in het algemeen zelfs van een betere literaire kwaliteit dan de "stuntelige gewrochten" die nog in de kolonie zijn ontstaan (Albert van Hoeck, ‘Ontstaan van de post-koloniale roman in 1959-1970’, 1989).

In de Congoroman kunnen drie richtingen onderscheiden worden. De eerste twee richtingen zijn het sterkst vertegenwoordigd in de romans die kort na de onafhankelijkheid ontstonden. De romanschrijvers van de eerste groep negeerden toen de ‘afschuwelijke actualiteit’, door zich aan de oude orde vast te klampen en al hun aandacht te richten op de inheemse bevolking. Voorbeelden van die eerste stroming zijn Het levende beeld (Jac. Bergeyk, 1963), Het duistere rijk (André Claeys, 1963) en Elke dag rees weer de zon (Jan van den Weghe, 1963).

De auteurs van de tweede groep, zoals Daisy Ver Boven en Raf van de Linde, maakten het onafhankelijkheidsdrama tot het hoofdthema van hun werk. Dat deed ook Jef Geeraerts, ongetwijfeld de meest bekende Congo-auteur van het Nederlandse taalgebied. In zijn debuut, Ik ben maar een zwarte (1962), presenteert hij de hele problematiek van de Congolese emancipatie in één individu, Gregoire Matsombo, een inheemse medische assistent die zich na de vlucht van zijn Belgische chef in zijn geboortedorp gewetenloos laat doorgaan voor een wonderdokter. Terwijl bij de andere auteurs nog wat hoop blijft op een herstel van de relaties tussen Europeanen en Afrikanen, blijkt bij Geeraerts alleen verbittering en nihilisme.

De verhalen van de derde stroming werden een hele tijd na 1960 geschreven. Daarin valt vooral op dat de auteurs de gebeurtenissen van 1960 meer vanop een afstand bekijken en meer aandacht hebben voor de psychologische evolutie van hun blanke hoofdpersonages dan voor de inheemse bevolking of de gevolgen van de onafhankelijkheid. Zulke ‘afstandelijke’ auteurs zijn Gerard Soete , Mireille Cottenjé en Paul Brondeel.

(Nota webmaster : Hoofdcommissaris bij de koloniale politie te Elisabethstad (nu Lubumbashi), schrijver en collegeleraar. Schreef zijn eerste twee boeken onder het pseudoniem Geert van Puthem In 1999, een jaar voor zijn dood, bekende hij dat hij in 1961 in opdracht het lijk van de vermoorde Lumumba had opgeruimd.)

Sinds 1970 is in de postkoloniale literatuur van echte vernieuwing geen sprake meer, maar het genre blijft wel bestaan. Ook in de kinder- en jeugdliteratuur duikt Congo op als decor of als centraal thema. Het koloniale verleden van België blijft dus ook in de literatuur sporen nalaten.

Klik op de afbeelding om te vergroten.

De zaak van Rechter en de strijd om het Nederlands in Belgisch Congo

Grootaer een symbool dossier uit de jaren 1950.
Een klein aantal Vlaamse ambtenaren verzette zich daartegen en dwong in 1939 de principiële erkenning af van het recht om het Nederlands te gebruiken in hun ambtelijke correspondentie. Maar daar bleef het bij. Na de Tweede Wereldoorlog werd de Vlaamse druk op de kolonie sterker. De roep om eindelijk de sinds 1908 beloofde decreten uit te vaardigen, werd alsmaar luider.
Het eerste (en enige) koloniale taaldecreet (over het gebruik der talen in het gerecht) zou uiteindelijk pas in 1957 worden goedgekeurd, liefst vierenveertig jaar later dan afgesproken.

Een eenmansgevecht voor het Nederlands in de kolonie ?

In 1933 liet Wilfried Borms zich inschrijven bij de balie in Antwerpen. De advocatuur werd geen succes, volgens Van Everbroeck omdat de naam van vader Borms cliënten afschrikte. Hoe dan ook, in 1937 trok Wilfried Borms naar de Koloniale School voor een opleiding tot gewestbeheerder.

Dat ambt oefende hij een aantal jaren uit, waarna hij ontslag nam, maar in Congo bleef. In 1944 zou hij daar het slachtoffer geworden zijn van de repressie en opgesloten worden in de gevangenis van Elisabethstad. Die gegevens kloppen maar gedeeltelijk. Het persoonlijke dossier van adjunct-gewestbeheerder Wilfried Borms brengt een veel ingewikkelder verhaal aan de dag. Een verhaal dat te maken heeft met de status van het Nederlands in de kolonie, met de overspannen patriottische sfeer in Belgisch-Congo in de oorlogstijd, maar ook met de manier waarop de kwalijke reputatie van een vader het leven van een zoon kan bepalen.

Vlamingen en Afrikanen in Centraal Afrika.

Congo was Belgisch van 1908 tot 1960, België verkreeg de voogdij over Rwanda-Urundi na de eerste Wereldoorlog; de beide landen werden onafhankelijk in 1962. Officieel was het taalgebruik in Belgisch Afrika vrij, maar in werkelijkheid was het Frans er de facto de officiële taal. Er bestaan geen taalgrens en geen taalrollen in de Belgische kolonie en mandaatgebieden en dus bestaan er daar officieel ook geen Franstaligen of Nederlandstaligen, Brusselaars, Walen of Vlamingen. Toch zijn Vlamingen ervan overtuigd dat zij in Belgisch Afrika, zoals in België zelf, in de meerderheid zijn. Naar het einde van de koloniale periode toe wordt het aantal Vlamingen in Congo geschat op zo'n 50.000 van de 80.000 Belgen, tegenover een Congolese populatie van zo'n 13 miljoen. 70% van de Belgische inwoners van Leopoldstad, 50% van alle kolonisten (zelfstandigen), 70% van alle koloniale ambtenaren en 80 tot 90% van alle missionarissen in de hele kolonie zouden Vlaams geweest zijn. Of liever gezegd, Nederlandstalig. Nogal wat leden van de bourgeoisie in Vlaanderen waren immers Franstalig; en, zoals uit een aantal getuigenissen zal blijken, verfransten sommige Vlamingen in Belgisch Afrika om hun sociale positie te verbeteren.
Na de onafhankelijkheid liep de Belgische aanwezigheid in Centraal Afrika sterk terug. Momenteel zouden er zo'n 3.000 Belgen in Congo verblijven. De meerderheid van de Belgen die zich er in theorie permanent gevestigd hebben zijn missionarissen. Theoretisch moet het nu mogelijk zijn om een beeld te krijgen van het aantal Nederlands- en Franstaligen onder hen, maar Vlamingen zijn nu zelf zelf veel minder geïnteresseerd blijken in die vraag dan het geval was tijdens de koloniale periode.

Plaats hier de inhoud van de nieuwe div-tag
SiteLock
share this - partager le site - deel dit document

About Us | Contact | Privacy | Copyright | Agenda  
Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur. Delcol Martine