De kroonprins hekelde de lacunes in de agrarische koloniale politiek.

Het ontstaan van het NILCO

Lanbouwers in Congo

Januari 4 January, 2017

landbouw in congoAfbeelding links : Cover van de jubileumeditie van het Landbouwtijdschrift voor Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi Beschrijving: Cover van de vijftigste jaargang, de jubileumeditie, van het tijdschrift 'Landbouwtijdschrift voor Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi' uit 1960, waarin een algemene lijst is opgenomen van de artikelen verschenen in de jaargangen in de periode van 1910 tot 1959. Het tijdschrift werd uitgegeven door het Nationaal Instituut voor de Landbouwkunde in Belgisch Congo (NILCO), onder het Ministerie van Belgisch-Congo en van Ruanda-Urundi. De artikelen handelen over tropische landbouw in Belgisch Congo en in andere kolonies, de geboekte resultaten, etc.
 
 

Het ontstaan van het NILCO

De Grote Depressie in de jaren 1930 legde de kwetsbaarheid van de koloniale economieën pijnlijk bloot. De koloniale overheid nam enkele maatregelen die op korte termijn de effecten van de crisis moesten verzachten, zoals een aanzienlijke vermindering van de transportkosten en de creatie van een tijdelijk Fonds voor Landbouwkrediet, maar meer diepgaande veranderingen drongen zich evenzeer op.

De toenmalige agrarische exploitatiewijze, die weinig zuinig omsprong met de beschikbare grondstoffen en arbeidskrachten, bleek immers stilaan onhoudbaar te zijn. Bovendien leek de economische crisis een minder zware impact te hebben op Britse koloniën zoals Goudkust en Oeganda waar de agrarische productie vooral in handen was van inheemse producenten. Op 25 juli 1933 verwoordde kroonprins Leopold in de Senaat zijn visie op een vernieuwd landbouwbeleid.

De kroonprins hekelde de lacunes in de agrarische koloniale politiek en uitte kritiek op het feit dat de experimentele stations te zeer de nadruk legden op het commerciële aspect.

Hij pleitte voor een meer wetenschappelijk onderbouwde agrarische exploitatie, die centraal moest worden aangestuurd door een wetenschappelijk onderzoeksinstituut. Zijn betoog was sterk geïnspireerd door zijn bezoek aan de plantages van de Nederlandse kolonies Java en Sumatra in 1930, waar hij onder de indruk was geraakt van de gehanteerde wetenschappelijke en "meer rationele" methodes.

Bovenal bepleitte de kroonprins de emancipatie van de Congolese boeren. Zij moesten het recht krijgen om grond te bezitten, zodat ze zich ten volle als zelfstandige landbouwers konden ontwikkelen en zo konden bijdragen tot het verder optimaliseren van de landbouweconomie. Op 22 december 1933 werd de opvolger van de Regie, het Nationaal Instituut voor de Landbouwkunde in Belgisch-Congo (NILCO) of Institut National pour l'Étude Agronomique du Congo belge (INÉAC), officieel opgericht per Koninklijk Besluit. Op 23 maart 1934 trad het instituut officieel in werking. Kroonprins Leopold was de eerste voorzitter van het instituut.

Het NILCO moest de nieuwe oriëntatie van het landbouwkundig onderzoek belichamen en een breuk vormen met de als te commercieel ervaren Regie, waar vondsten nog te vaak het gevolg waren van toeval en geluk. Het hoofddoel van het instituut was de ontwikkeling van de landbouweconomie in Belgisch Congo op wetenschappelijke basis te bevorderen. Het moest zich naast toegepast onderzoek eveneens concentreren op fundamenteel wetenschappelijk onderzoek en ervoor zorgen dat innovaties het resultaat waren van meer gecoördineerde onderzoeksinspanningen. De oprichting van het instituut betekende een verdere centralisatie van het lopende (praktijk)onderzoek. De hoofdzetel van het instituut bevond zich in Yangambi, maar het NILCO bezat op verschillende plaatsen in Belgisch Congo stations, laboratoria en plantages. De structuur van het onderzoekscentrum in Yangambi illustreerde mooi de nieuwe klemtonen en accenten die werden gelegd. Het centrum telde drie secties. De sectie wetenschappelijk onderzoek bestond aanvankelijk uit de divisies plantenziektekunde (fytopathologie) en insectenkunde (entomologie), plantkunde (botanie), bodemkunde en technologie. Tussen 1935 en 1939 volgden de afzonderlijke divisies bos en genetica. Het doel was om een beter inzicht te verkrijgen in het Congolese milieu. Bijgevolg werden het klimaat, de bodem en de vegetatie bestudeerd. De sectie agronomisch onderzoek bestond aanvankelijk uit de divisies palmolie, koffie, cacao, rubber en voedingsgewassen. Door reeds in 1934 een divisie voedingsgewassen te creëren, onderscheidde het NILCO zich van andere Afrikaanse kolonies die pas na de Tweede Wereldoorlog aandacht hadden voor de ontwikkeling van betere voedingsgewassen. Het doel was het selecteren en veredelen van gewassen om zo de rendementen op te krikken en het aanbod voor de binnenlandse en exportmarkt op te drijven. Er werden vooral successen geboekt met oliepalm. De sectie plantages had afdelingen in Lula (koffie, rubber), Gazi (rubber, cacao) en Barumbu (palm, cacao). Ook de centrale plantage in Yangambi (palm, koffie, rubber) maakte er deel van uit.

Officiële publicaties van het NILCO en de koloniale overheid onderstreepten graag de autonomie van de nieuwe wetenschappelijke instelling. Het instituut werd geleid door wetenschappers die zonder tussenkomst van ambtenaren, politici en economische actoren de onderzoeksprogramma's invulden. Er gold bovendien een duidelijke taakverdeling tussen het NILCO en de koloniale overheid of landbouwadministratie. Het opzetten van toegepast en fundamenteel onderzoek was het domein van het NILCO, terwijl het verspreiden en propageren van deze onderzoeksresultaten viel onder de verantwoordelijkheid van de koloniale overheid. Het is echter zeer de vraag of dit beeld strookte met de realiteit. Er bestond namelijk een nauwe samenwerking tussen de Landbouwdienst en het instituut, die overigens door beide partijen regelmatig in de verf werd gezet. Allereerst konden agronomen van de Landbouwdienst stage lopen in de stations en werden er bijeenkomsten en conferenties gehouden waarop consulenten van de overheid werden uitgenodigd. Ten tweede ontving het NILCO een belangrijk deel van haar inkomsten van de koloniale overheid. De overige inkomsten haalde het uit privé-schenkingen en de opbrengsten van de sectie plantages. Bijgevolg kan in vraag worden gesteld of het instituut daadwerkelijk haar onderzoeksagenda autonoom bepaalde en het commerciële aspect volledig losliet. De bovenvermelde taakverdeling was in de praktijk dan ook niet zo strikt. NILCO-medewerkers waren eveneens actief inzake kennisverspreiding, met name naar de landbouwexploitaties en de kolonisten in Belgisch Congo. Agenten van het instituut bezochten plantages en gaven advies ter plekke. Plantage-eigenaars konden op hun beurt de stations van het NILCO bezoeken en hun personeel bij hen stage laten lopen. De overheid had baat bij een nauwe band met het instituut. De onderzoeksresultaten van het NILCO waren immers belangrijk voor het uittekenen van een agrarische politiek. Via het instituut, en gesteund door de bijhorende wetenschappelijke legitimatie, kon de koloniale overheid de agrarische sector op een meer efficiënte manier beheren en kritiek op het koloniale project counteren.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden zowel de agrarische productie als het landbouwkundig onderzoek geheroriënteerd in functie van de oorlogsinspanning. In de nasleep van dit conflict werd het Tienjarenplan voor Belgisch Congo uitgewerkt. Dit plan besteedde aandacht aan de ontwikkeling van de landbouw in de kolonie en de belangrijke rol die het NILCO hierbij kon spelen.

(bron : http://www.hetvirtueleland.be)

Farmac

farmac

In november 1943 stichtten Robrecht Gheysen uit Roeselare en oud-volksvertegenwoordiger Alfons De Nolf de organisatie Familiale Actie (Famac) in de schoot van de Boerenjeugdbond (BJB) en de Katholieke Actie (KA). Zij wilden vermijden dat de boerenzonen in de industrie zouden terechtkomen. Famac ijverde ervoor dat "al onze leden hun eigen Vlaamse aard overal zouden bewaren, en vooral trouw zouden blijven aan de christelijke levensopvatting.".

Famac bracht jonge Vlaamse landbouwers die op zoek waren naar grond, in contact met agenten die pachters zochten of hoeves te koop aanboden. Zij richtte zich daarbij niet alleen op Wallonië, maar ook op Belgisch-Congo en Canada.

Het tijdschrift Ons Boerenerf bracht verslag van de ervaringen van uitgeweken landbouwers. Uit gesprekken bleek dat velen nood hadden aan onderling contact. Famac zette daarom in Wallonië allerlei socio-culturele activiteiten op het getouw: toneelavonden, spreekbeurten en misvieringen. De beweging nam zo'n uitbreiding dat de Boerinnenbond vanaf de jaren 1960 de actie gedeeltelijk overnam onder de naam 'Contact met Vlaamse boerengezinnen in Wallonië'. Vanaf 1967 nam de AAB de werking officieel over, ook al bleef het initiatief in de praktijk vooral uitgaan van de Boerenbond. Taalkwesties en politieke thema's werden zo veel mogelijk vermeden: 'In onze werking is er geen spraak van politieke actie i.v.m. de Vlaams-Waalse verhoudingen of geen spoor van taalstrijd te vinden.'

De beweging nam zo'n uitbreiding dat de Boerinnenbond vanaf de jaren 1960 de actie gedeeltelijk overnam onder de naam 'Contact met Vlaamse boerengezinnen in Wallonië'. Vanaf 1967 nam de AAB de werking officieel over, ook al bleef het initiatief in de praktijk vooral uitgaan van de Boerenbond.

Taalkwesties en politieke thema's werden zo veel mogelijk vermeden: 'In onze werking is er geen spraak van politieke actie i.v.m. de Vlaams-Waalse verhoudingen of geen spoor van taalstrijd te vinden.'

Propaganda koloniale school Antwerpen getekend Laude

Een rubber- en cacaoplantage in Gazi (Congo)

Foto: Een zicht op een plantage in Gazi ten tijde van Belgisch Congo.
De foto toont rijen van hévéas (een soort rubberboom) van tweeënhalf jaar oud. Deze werden geplant in 1922 tussen andere soorten rubberbomen (funtumias) en cacaobomen.
Bewaarinstelling: Algemeen Rijksarchief Brussel

foto: website het virtuele land
Rijstoogst in Kitobola (Belgisch Congo)
Foto van de rijstoogst in Kitobola in 1910.
Het is één van de beelden van de fotograaf Jean Claessens, die zijn bezoeken aan Centraal-Afrika en in het bijzonder Belgisch Congo documenteerde.

Foto Algemeen Rijksarchief Brussel - Een zicht op de plantentuin van Eala, Mbandaka.
De foto toont een weg en de vegetatie daarnaast.
De plantentuin werd in 1900 in opdracht van koning Leopold II opgericht door de botanicus Emile Laurent.

Algemeen Rijksarchief Brussel - Nilco

 

Info

Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur.
Een auteur van een programma kan de namaker van zijn werk strafrechtelijk laten vervolgen, maar dat kan alleen als het namaken kwaadwillig of bedrieglijk is gebeurd. Niet alleen de namaker is strafbaar, ook wie namaakprogramma's voor handelsdoeleinden verkoopt, in voorraad heeft voor verkoop of invoert in België, overtreedt het auteursrecht.
Delcol Martine