Congo 1960

Voornaamste produkten in Belgisch Congo Anno 1952

Voornaamste produkten in Belgisch Congo Anno 1952

© Voorlichtings en documentatiecentrum van Belgisch Congo en van Ruanda-Urundi

Update : 18 November, 2018

Bijenwas :

zegel bij Congo (bijenwas was een export product  van Belgisch CongoHet was van wilde bijen is een uitvoerproduct dat in de meeste Afrikaanse koloniën een zeker belang heeft verworven. In Belgisch Congo worden duizenden ton geoogst en naar de Europese markten uitgevoerd. De hoedanigheid van het wilde bijenwas uit onze kolonie mag vergeleken worden met deze van het Europese product. Dit product wordt ingezameld door de inboorlingen, voornamelijk in Kivu, Katanga, Kasaï en in Ruanda-Urundi. Sedert enkele tijd beijveren de regeringsdiensten voor de landbouw zich,om het rendement van deze kleine inlandse nijverheid, die voor de inboorling een niet te versmaden bron van inkomsten is, door de rationalisatie van de werkmethoden van de totnogtoe \e zeer versnipperde krachtinspanningen te verbeteren. (pdf document over de bijen in Congo)

Copal :

Copal in belgisch congoHet copal is het hard geworden hars van de zgn. copalboom. De Congolese copalboom groeit in de moerassige wouden, die geregeld aan overstromingen zijn blootgesteld. Men treft hem eveneens aan langsheen de waterlopen en vooral in de gebieden rond de Evenaar, in de streek van de Lulonga, de Aruwimi en de Ubangi, in het district van Stanleystad en het Leopold II meer en zelfs in zekere bijrivieren van de Kasaï. Het wegzijpelen van het hars gebeurt langs de door insecten toegebrachte openingen, langs de door wrijving of het afbreken der takken ontstane letsels, of om allerlei andere oorzaken, wanneer de boom sterft, breekt of ontworteld wordt door de knaging van het water, blijven de wortels een harsachtig sap afscheiden, dat aan de voet van de boom een ware kroon uit copal vormt. Het copal wordt hoofdzakelijk onder twee vormen aangeoffen :

- Het zachte of groene copal, dat van recente vorming is;

- Het harde of zgn. fossiele copal, dat ouder is.

Het zachte of groene copal is het hard geworden hars op de stam of aan de voet van de boom; het is ondoorschijnend, melkachtig en zwaar. Het harde of fossiele copal is het hars reeds vroeger door de boom afgescheiden; het is licht-geel, glanzend en soms geheel doorzichtig; deze soort is gekend onder de benaming , «boscopal» en doetl zich meestal voor onder blokvorm. In Europa wordt copal hoofdzakelijk gebruikt bij de vervaardiging van lakken en vernissen. De met copal toebereide vernissen worclen om hun hoge graad van onontvlami-baarheid zeer op prijs gesteld. Copal wordlt nog voor andere doeleinden aangewend : o.a. voor de vervaardiging van een in de fotografie gebruikt, vernis, als bestanddeel van een mengsel dat leder ondoordringbaar maakt, in poedervorm om het afglijden der riemen van deriemschijven te verhinderen, voor het asfalteren van de wegen en bij de vervaardiging van isoleerstoffen en hun talrijke incdustriële toepassingen.

Fruit :

Uitvoer Bananen naar Antwerpen afkomstig uit CongoHet klimaat van Belgisch Congo, evenals dit, virn alle tropische landen, bevordert de weelderige groei van allerlei fruitsoorten. De meeste ervan worden zeer gewaardeerd door de Europeanen, die deze streken bewonen, maar om verscheidene redenen o.a. van aardrijkskundige aard, is de uitvoer van al de soorten niet mogelijk. Heel wal, fruit; is niet bestand tegen lang vervoer, noch tegen de vereiste manipulaties evenmin tegen het temperatuurverschil dat, onvermijdelijk is tijdens de reis doorheen Afrika, alvorens een zeehaven te bereiken. Een koelketen gedurende heel de reis is van commercieel oogpunt uitgesloten. Van de vruchten, die op de Europese markt de meeste bijval zouden genieten, vermelden wij bij wijze van documentatie : de mangostan, de papaya, de ananas, de guave, de mango, de avocaat-peer, de grenadille en de barbados. Zoals alle landen, die uitheems fruit voortbrengen kan Belgisch Congo alleen de uitvoer op commerciële schaal Overwegen van fruit, voortkomende van langs de kust gelegen plantages of die langs de spoorweg op redelijke afstand liggen van een inschepingschaven voor het vervoer naar Europa. Twee soorten fruit vervullen deze voorwaarden : De citrusvruchten (Oranjeappelen, citroenen, pompelmoezen) Afkomstig uit de Mayombe en Neder-Congo; de bananen die veel geteeld worden in de streek van Mayombe, waar snelle en relatief goedkope transportmiddelen bestaan. Stellen wij echter vast dat van de 17.791 ton fruit, die Belgisch Congo in 1951 uitvoerde, 160 ton uit citrusvruchten bestond en 17.631 ton uit bananen (link naar een artikel over bananen uit Belgisch Congo naar Antwerpen.

 

Geurplanten :

Geurplanten teelt in belgisch Congo geranium rosaDe teelt van geurplanten is sterk ontwikkeld in de tropische en subtropische gewesten, evenals in het zuiden van Europa. In Belgisch Congo werden proefnemingen gedaan met, verscheidene soorten, waarvan de Geranium-Rosat, de beste uitslagen opleverde. Als gevolg daarvan heeft deze laatstgenoemde dan ook de grootste uitbreiding genomen. Haar teelt is echter gelocaliseerd in Kivu en Ituri tot hooglten van 1.400 tot 2.000 meter. De Geranium-Rosat levert een extract op, dat de Belgische technici trachten te standaardiseren in «type Congo I » en «Type Congo II » en dat in de handel verkocht wordt onder de naam van Geraniol, Citronellol of Rhodinol, naar gelang de hehandeling die het ondergaan heeft. De productie van Geranium-Rosatextract in Belgisch Congo en Ruanda-Urundi bedroeg 16 ton in 1950. De zogenaamde Geur- of reukplanten leveren of een extract, of een olie op, die gebruikt wordt, in de parfumerie en in de zeepziederij. Zij vormen tevens de grondstof voor het fabriceren van organische, synthetische en pharmaceutische producten. vermelden we nog volgende geur- of reukplanten die op min of meer grote schaal geteeld worden in de hooggelegen oostelijke geewsten van Belgisch Congo : het, Lemongras, de vetijver, de citrus- en eucalyptusextracten en het citroenkruid.

Houtsoorten :

Milicia excelsa (Welw.) C.C. BergDe technologie van de bosbouw heeft, de eigenschappen van een zeker aantal houtsoorten van onze koloniale wouden in het licht gesteld en er tevens op gewezen voor welk gebruik zij best kunnen aangewend worden. Bij deze studie moest men rekening houden met het feit dat de eigenschappen van de houtsoorten niet alleen verschillen naar gelang staal en ouderdom, doch eveneens van plaats tot plaats en zelfs van boom tot boom. De koloniale houtsoorten hadden een tijdlang een slechte faam; zij werden trouwens al te overijld beoordeeld, hetgeen toe te schrijven was aan het feit dat het uitgevoerde hout bewerkt werd vooraleer het geheel droog was. Thans weet men dat de koloniale houtsoorten merkelijk langer moeten drogen dan deze der Europese landen. Vele koloniale houtsoorten zijn donker rood gekleurd en hebben de faam bijzonder sterk te zijn; de bruin gekleurde en zelfs de lichte houtsoorten zijn uiterst duurzaam. Het is evenwel van belang te weten dat hun eigenschappen merkelijk afwijken van deze der: gewone houtsoorten. Men moet dus vermijden ze met het gewone hout op gelijke voet te stellen; zij moeten voor een bijzonder en geschikt gebruik aangewend worden en dit onder een voor elke soort typische benaming. Steunend op deze gegevens zijn de specialisten eensgezind om te erkennen dat de houtsoorten van onze kolonie uitmuntende hoedanigheden bezitten. Naar gelang de soort worden zij gebruikt voor de vervaardiging van kostbare meubelstukken en fijn schrijnwerk, alsmede voor versieringen en paneelwerk; de sterkere en duurzamere soorten worden vooral gebruikt voor de bouw en de inrichting van schepen en voor de vervaardiging van spoorwegwagons. Een nieuwe en bijzonder belangwekkende ontwikkeling in het gebruik van de Congolese houtsoorten, die op de wereldmarkt gunstig onthaald werd, bestaat in de vervaardiging ter plaatse van geplakt hout en triplex.

Huiden

De huiden- en Lederindustrie verdient een betere valorisatie in Belgisch Congo, niet alleen door de verbetering der looierijmethodes, maar tevens door een beter verzorgde productie. Deze problemen zijn moeilijk op te lossen omdat de veeteelt, grotendeels in handen is van de inboorling, voor wie dit bijproduct vaak slechts een zeer betrekkelijke waarde heeft. Nog andere ongunstige factoren zijn het Afrikaans klimaat, dat de verspreiding bevordert van kiemen en insecten die zeer schadelijk zijn voor de huiden en ten slotte de grote afstanden, die de exportproducten moeten afleggen in vaak totaal ongeschikte voorwaarden voor een goede bewaring. De Belgische markt vindt in Congo een aanzienlijke voorraad, die echter nog ontoereikend en vooral van ongelijke kwaliteit is. Niettegenstaande deze omstandigheden is de handel in huiden van een zeker belang voor de Congolese economie. Inderdaad, de statistieken wijzen er op dat voor het tijdperk begrepen tussen 1-1-1950 en 1-1-1951 de inheemse nijverheid in Ruanda-Urundi 67.520 huiden gedroogd heeft, die een handelswaarde vertegenwoordigen van 10.335.500 frank en dat de kolonie in haar geheel, samen met de onder voogdij staande grondgebieden, 1.472 ton huiden uitgevoerd hebben in de loop van 1950, voor een waarde van 85.210.000 frank.

Ivoor

Belgisch Congo is steeds de voornaamste wereld voortbrenger van ivoor geweest en tot, heden bekleedt onze kolonie deze plaats met een jaarlijkse productie van bij de 180.000 kilo, die een waarde vertegenwoordigen van meer dan 38 millioen frank. De Verenigde Staten, Frankrijk en Engeland zijn de voornaamste klanten en verdelen het, ivoor onder elkaar, bij opbod, op de Antwerpse markt. De handelshoedanigheid van ivoor hangt af van het gewicht der slagtanden, hun korrel en kleur; zij zijn. zwaar of middelmatig, recht of gebogen, vol of cilindervormig. De holle slagtanden dienen bij voorkeur om er armbanden en ringen van te maken. De cilindervormige tanden worden gebruikt voor het maken van biljartballen, die gedraaid worden uit het dikke deel zelf van het stuk. De kleine slagtanden worden meestal tot voorwerpen en beeldjes gesneden (link ivm ivooruitvoer)

Maïs

Maïs is een voedselplant van Zuid-Amerikaanse oorsprong, 'waarvan de teelt in Afrika begon enkele jaren nadat zij in Spanje was ingevoerd en zij zich over heel Zuid-Europa en Azië had verspreid. Tegenwoordig wordt deze teelt in alle warme en gematigde landen beoefend en de bebouwde wereldoppervlakte wordt geschat op ongeveer 60 miljoen hectaren. In Belgisch Congo en Ruanda-Urundi bedroeg zij in 1950 ongeveer 460.000 hectaren. Het meel, dat, verkregen wordt door het pletten van het graan, vormt het basisvoedsel van de grote massa der Midden- Afrikaanse volksstammen. Maïs is nochtans een onvoldoend voedsel , aangezien het aan voedende elementen slechls 7 % eiwitachtige stoffen, 1 tot 2 % vetstoffen en 70 % zetmeel en suiker bevat. Het overige beslaat uit celluloïdische stoffen. Maïs wordt in tamelijk grote hoeveelheden gebruikt in de bouwnijverheid en voor het bereiden van stijfsel en dextrine. Door het gisten van de granen verkrijgt men een soort alcohol, en de vetsloffen in de kiemen van de maïs leveren een tafelolie op. Ten slotte dient maïs nog voor het fabriceren van verscheidene gries- en aardappelmelen. Met de gewonnen overblijfselen wordt lijnkoek gemaakt voor het vee en het groene voeder is bijzonder geschikt voor de kweekdieren.

Voornaamste makelaars indertijd Bunge et Cie, Arenbergstraat 21, Antwerpen. Crédit National et Coloníal, Lange Nieuwstraat 64, Antwerpen. Société Coloniale Anversoise, Meistraat 27-31., Antwerpen.

Maniok :

Maniok is een voedingsplant van Zuid-Amerikaanse oorsprong, die rond 1600 in Midden-Afrika zou zijn ingevoerd door zeevaarders. In Belgisch Congo heeft de maniokteelt, snel een zeer grote uitbreiding genomen bij de inlandse bevolking, zodat, thans deze uitmuntende voedingsplant voor vele volksstammen het koolwaterstofhoudend basisvoedsel is. De bijval van deze plant is vooral te danken aan haar buitengewone groei-eigenschappen, haar zeker en hoog rendement, en het gemakkelijk en beperkt onderhoud van de aanplantingen. De wortel van de maniok heeft echter een zeer beperkte voedingswaarde, want hij bevat slechts 0,75 % proteïnestoffen, 0,33 % glucose, 1 % suikerhoudende materie en dextrine, 35 % zetmeel, niet de minste zetstof, het overblijvende bestaande uit cellulose. De economische structuur leent zich maar weinig tot de uitvoer van dit product naar Europa, waar zijn industrieel gebruik beperkt is tot het maken van stijfsel, maniokmeel, tapiocakorrels en als grondstof voor het vervaardigen van Méthyle-alcohol, glucose en dextrine. In Afrika zelf is maniok een basisvoedsel voor de inlander En een uitstekend veevoeder.

Voornaamste makelaars toen : Van Lancker, Londenstraat 17, Brussel. Anversoise Meirstraat 27-31, Antwerpen.

Pyrethrum :

Pyrethrum is een plant met een bloem, die sterk gelijkt op het, madeliefje. Sedert verscheidene jaren wordt deze insectendodende plant in vele landen geteeld. Eerst in 1931 werd zij in Belgisch Congo ingevoerd, en zij nam snel een grote uitbreiding in de hoog gelegen oostelijke streken. Het poeder van de Pyrethrum is een insectendodend product waarvan de uitwerking varieert; het verdelgt luizen, muggen, vliegen, mieren, rupsen en bladluizen. Het wordt veel gebruikt op plantages, o.a. op koffieplantages waar, het buitengewoon doeltreffend is. Pyrethrumpoeder heef t, het, groot voordeel op andere insectenpoeders, in 't bijzonder' synthetische poeders, onschadelijk te zijn voor de mens en voor warmbloedige dieren. De goede kwaliteit van het, Congolees Pyrethrumpoeder is te danken aan het hoog gehalte van de actieve stof dat het bevat. Daarom, en niettegenstaande de concurrentie van de synthetische insectendodende producten, blijft, de vraag naar Pyrethrum uit Belgisch Congo steeds druk.

 
Verkoophuis : Société Coopérative des Produits agricole te Costermansstad.

Rubber :

De hevea, of rubberboom, werd rond het jaar 1905 in Belgisch Congo ingevoerd door enkele maatschappijen, die zeer vlug een zekere uitbreiding aan deze teelt gaven. Een betere kennis van de groeikracht, van deze boom, afkomstig uit de Amazonewouden, een schifting van de planten voor hun vermenigvuldiging, een beter geschikte commerciële behandeling, gepaard met, de kennis der vereiste van de bodem en het klimaat, wat voor deze ingevoerde plant noodzakelijk is, hebben hel, mogelijk gemaakt,,dat er thans in onze kolonie uitgebreide plantages met, een hoge voortbrengst tot bloei gekomen zijn. De heveaplantages renderen best in de gewesten rond de Evenaar en in het noordelijk district van de provincie Stanleystad. Er bestaan echter ook nog belangrijke en tamelijk gunstige plantages in het gebied van de Mayumbe en de Sankuru De hevea teelt neemt een aanzienlijke uitbreiding, die in Verband staat, met de talrijke nieuwe aanwendingen van de rubber, die door de ontdekkingen der navorsers gekend werden zonder het gebruik voor industriële en strategische doeleinden te vergeten. Vermelden wij onder andere het recent gebruik van rubber voor het bekleden van wegen, de isolering; der woningen het bedekken der daken, het doorweken van kledingsstukken en stoffen, en het fabriceren van diëlectrisch materiaal. De jaarlijkse wereldproductie van plantagerubber: bedraagt ongeveer 1.500.000 ton. Azië produceert hiervan 97%, Amerika ongeveer 2 % en Afrika, waarvan de voortbrengst 12.167 ton bedroeg,

Mijnproducten

Diamant

In de loop van de jaren 1910 en 1911 bracht een methodische navorsing van de streek van Mai-Munene, in de provincie Kasaï, talrijke ertslagen aan het licht, en in 1912 was de diamantzone afgebakend. De lagen in het Kasaï-district zijn talrijk en bijzonder rijk. Men vindt er tevens in de Sankuru-, Maniema-, Neder-Congo- en Uelegebieden. De diamantlagen die in Belgisch Congo ontgonnen worden, zijn alluviaal en eluviaal. Men treft er aan in de bedding van rivieren of op de oevers. Het gehalte en de verdeling van het diamant verschillen ten zeerste, niet alleen van een laag tot de andere, maar tevens in een en dezelfde laag. Naar gelang de kwaliteit van het diamant, kan de waarde van het ontginbaar gehalte verschillen van minder dan één karaat tot meerdere karaten per kubieke meter kiezelzand. De voornaamste voortbrengers, naast Belgisch Congo, zijn Zuid-Afrika, Angola, de Goudkust, Sierra-Leone, Tanganyika, Brazilië en Brits GuYana. Sedert vele jaren is Belgisch Congo de voornaamste diamant voortbrenger in de wereld. Het hoeft, echter gezegd dat deze gunstige toestand te danken is aan het feit dat de Zuid-Afrikaanse diamantmaatschappijen hun productie beperken om een prijsinstorting te voorkomen. Het Zuid-Afrikaanse diamant is van zulk een kwaliteit dat het minder gemakkelijk een koper vindt dan het Congolese product. Dit laatste is van gering of middelmatig volume en dus een veel couranter artikel. In de Congolese productie dient een onderscheid gemaakt tussen Kasaï en Lubilash diamanten. De eersten zijn zeer zuiver en bevatten juweelstenen; de tweeden daarentegen zijn om zo te zeggen uitsluitend industriële of « Boart » diamanten. Algemeen wordt aanvaard dat de ertslagen van de Lubilash 75 % van de wereldproductie van industriële diamant opleveren. Niettemin bereikt het wereldpercentage van de uit Belgisch Congo uitgevoerde diamanten slechts een waarde van 15 tot 18 %. Dit ligt aan het overwicht van industriële diamant, waarvan de verkoopprijs geringer is dan die van Juweeldiamant. Het is echter interessant te noteren, dat in crisistijd de wereldhandel in juweeldiamant zeer beperkt is, terwijl de markt voor "Boart" onveranderd blijft, hetgeen een groot voordeel vertegenwoordigt voor de Congolese economie.

 

Koper

Om zijn duurzame hoedanigheden is koper steeds een hoog gewaardeerd metaal geweest. Tengevolge van de aanzienlijke uitbreiding van de elektriciteit toepassingen, waarin zijn geleidingsvermogen een belangrijke rol speelt, evenals door zijn talrijke aanwendingen in de mechanische bouw, werd koper een metaal van vitaal belang voor een nijverheidsland. Tot in 1918 waren de Verenigde Staten de voornaamste kopervoortbrengers; zij werden gevolgd door Japan, Chili, Mexico, Australië en Canada. In de laatste tien jaar onderging de statistische positie van de kopervoortbrengers grote wijzigingen. Belgisch Congo en het Britse rijk, hoofdzakelijk vertegenwoordigd door Canada en Noord-Rhodesië, zijn nu voorname producenten. Een akkoord ter beperking van de productie binnen het kader van de wereldbehoeften is tot stand gekomen tussen de voortbrengers, die overeenkwamen een vastgesteld exportcijfer niet te overschrijden. Krachtens een conventie met, het Bijzonder Comité van Katanga verwierf de "Union Minière" het recht al de koperlagen binnen een zone van ongeveer 20.000 vierkante kilometer in Opper-Katanga te ontginnen. De ertsen van Katanga bestaan vooral uit geoxideerde of gezwavelde koperproducten, waarvan malachiet of koperspaat het voornaamste is. De kopermijnen zijn in drie hoofdgroepen verdeeld : De zuidoostelijke groep, die Kipushi, Luishia, Ruashi en Luiswishi omvat; De centrale groep : Kambove, Shituru, Likasi, en ten slotte De westelijke groep met de mijnen van Kolwezi, Musonoï en Ruwe. Smeltijzer wordt gedolven in Kisanga en smeltkalksteen in Kakontwe. Door hun geologische en topografische gesteldheid lenen de koperlagen zich meestal tot het ontginnen in bovengrondse mijnen en het gebruik van machtige ontginningsmiddelen, zoals stoom- en elektrische graafmachines. Dank zij zijn merkwaardige eigenschappen van weerstand, smeedbaarheid en taaiheid, is koper het ideaal metaal voor een groot aantal toepassingen in de bouwnijverheid. Dank zij Katanga, heeft België een plaats verworven onder de voornaamste kopervoortbrengers van de wereld. Koper is thans een van de grootste rijkdommen van onze kolonie. Het vertegenwoordigt inderdaad van de Congolese inkomsten, de met de koperindustrie verwante bedrijven, zoals de chemische fabrieken en het vervaardigen van springstoffen niet inbegrepen.

Tin

Het volume van de tinproductie bereikt lang niet, dit van de andere niet-ijzerhoudende metalen, zoals koper, zink en lood. Zij is niettemin een der voornaamste takken van de niet ijzerhoudende metaalnijverheid, en wel door de waarde van het voortgebracht metaal, haar nut en haar belangrijkheid in de moderne industrie. Er bestaan tinmijnen in verscheidene streken van de wereld, nl. (in orde van betekenis) in de Oost-Indische archipel met Malakka, Nederlands-Indië en Bolivia, gevolgd door Siam, China, Nigerië, Belgisch Congo en Ruanda-Urundi. De sedert 1931 in Belgisch Congo ontdekte tinlagen bleken zo rijk te zijn, dat de productie van tinsteen vertienvoudigd is. De tinertslagen die in Belgisch Congo aan het licht werden gebracht, vormen een zeer lange lijn in Zuid - West – Noord - Oostelijke richting, en zijn in drie groepen verdeeld : de eerste is gelegen op de linkeroever van de Lualaba, in het gewest van Mwanza, de tweede langs de Luvua, in de streek van Kapongolo en de derde omvat de lagen van Manono en Kitololo. De lagen bestaan uit ertsaderen, ofwel uit alluviale en eluviale aanslibbingen. De tinertslagen verschillen zeer in dikte en uitgestrektheid. Het tinerts wordt op verschillende plaatsen gedolven en daarna gecentraliseerd te Manono. Het wordt ter plaatse afgewerkt, waardoor een product met 74 % tin verkregen wordt. In de talrijke bewerkingen die hierbij te pas komen, wordt o.a. door magnetische scheiding een erts verkregen dat rijk is aan tantalium niobium. Dit product is nu zeer belangrijk voor de herbewapening. Tin wordt vooral gebruikt in de blikindustrie en de daarmee verwante bedrijven. Deze industrie is vooral uitgebreid in de Verenigde Staten, de voornaamste afnemer voor tin. Volgen dan Engeland, de U. S. S. R., Frankrijk, Duitsland en Japan. Tin wordt nog voor vele andere doeleinden aangewend maar het gebruikte volume in iedere tak is gering.

 

Oliehoudende planten :

De flora van Belgisch Congo is rijk aan planten, welke oliehoudende stoffen bevatten, waarvan enkele zich voordoen in de vorm van olie, andere in die van vet. Een betrekkelijk klein aantal bevat een commercieel bruikbaar percentage van deze stoffen. Onder de oliehoudende die niet geteeld worden op grote schaal of waarvan de uitvoer momenteel nog onbeduidend is, vermelden we :

De kokospalm, waarvan de vrucht gekend is onder de Benaming van kokosnoot

De Pentaclethra macrophylla waarvan de zaadkorrel een vet oplever, dat gebruikt wordt in de stearinenijverheid

De aleurite, waarvan de geperste zaden een opdrogende olie, Tungsolie geheten opleveren Belgisch Congo heeft hiervan 86 ton van deze voortgebracht in 1950;

De sojaboon, een proteïne rijke plant met talloze producten en bijproducten maar die echter een uitgebreide industrialisering vergt voor haar volle uitbating. Belgisch Congo en Ruanda Urundi hebben er een duizendtal ton van voortgebracht in 1950;

De Zonnebloem waarvan de eetbare olie gebruikt wordt in verscheidene transformatiebedrijven, in het bijzonder in de zeepziederij, voor vernissen, het brandschilderen en voor het maken van margarine.

De uitvoer van de zaden beliep slechts 283 ton in 1950.

De Aardnoot

De aardnoot, in de volksmond “apennootje”, is afkomstig van Brazilië en heden wijd verspreid in alle tropische en subtropische landen. Indië, de Verenigde Staten, Senegal, Nigeria, China en Argentinië zijn de voornaamste voortbrengers. In Belgisch Congo speelt de aardnoot een overwegende rol in de voeding van de inboorlingen. Haar gehalte aan eiwitten vetstoffen maakt er een waardevolle eetwaar van. De Congolese nijverheid bewerkt ter plaatse grote hoeveelheden aardnoten, waarvan de producten en bijproducten de volgende zijn. Eetbare olie; Nijverheidsolie; Oliekoeken; Oliemeel. De basten en de dorre bladeren zijn een uitstekend veevoeder. De teelt van de aardnoot en de handel die er mee gepaard gaat hebben een grote toekomst,. Op de Belgische markt alleen worden jaarlijks 40.000 ton gepelde noten, 20.000 ton noten in de dop en 60.000 ton in de vorm van lijnkoek verkocht. In de toekomst zal de locale nijverheid ook meer en meer van dit product verwerken. De belangrijkheid van deze teelt in Belgisch Congo en in Ruanda-Urundi blijkt wel uit het feit dat de totale oppervlakte Bebouwd met aardnoten in 1951 de 260.000 hectaren overschreed.

Sesam

Sesam is een oliehoudende plant. Men gelooft dat zij door de Arabieren in Belgisch Congo werd ingevoerd. Zij wordt vooral aangetroffen in Ubangi, Uélé, Ituri, Maniema, Kasaï en de Neder-Congo. De door koude persing gewonnen olie is van belang in de voeding van de inlandse bevolking, De industriële olie, verkregen door een warmteprocedé, wordt gebruikt in de zeepziederijen. De oliekoeken gemaakt met de afval hebben een zekere voedingswaarde voor het vee en ook als meststof. Belgisch Congo gebruikt een gedeelte van de sesam productie, het overige is bestemd voor de uitvoer.

 

Ricinus

De ricinus is een plant van Afrikaanse oorsprong, die praktisch overal in Belgisch Congo te vinden is, ofschoon deze teelt nog niet op een grote schaal ondernomen werd. De inlander kweekt de ricinus altijd op kleine oppervlakten dicht bij zijn woning, waar keukenafval de grond vruchtbaar maakt. De voornaamste productielanden zijn Indië, Brazilië, de Verenigde Staten en de Afrikaanse koloniën. De verfijnde ricinusolie wordt gebruikt door de apothekers, en is ook een uitstekend smeermiddel voor vliegtuigmotoren. Voor industriële doeleinden wordt ze gebruikt in de zeepziederijen, leerlooierijen, zeem-touwerijen, in de fabricage van was, linoleum, alsmede in de ververijen.

 

Elaïs

De oliepalmboom komt van Midden- en West-Afrika en wordt overal aangetroffen in Belgisch Congo, uitgenomen in het Noordoosten, in de bergachtige streken in het Oosten en in Katanga. Hij heeft een zeer uitgestrekt spontaan verspreidingsterrein, zoekt evenwel een waar en vochtig klimaat, overvloedige regen en een hoogte van onder 600 meter boven de zeespiegel. De oliepalmboom wordt veel geteeld in de middenkom, in Mayombe, Kwango en Kasaï, en Wel : a) Op Europese plantages; b) Op inheemse plantages; c) Als aangelegd natuurlijk palmbos, langs woudgaanderijen, in het woud of aan de rand van de dorpen. Laatst genoemde palmboombossen zijn de erfelijke eigendom van stammen of families.

De producten van de elaeïs zijn in de handel gekend als palmpitten, palmolie, palmpittenolie en palmpittenkoek. Palmolie met een lage graad van zuurheid levert een voedselvet dat namelijk in de margarinenijverheid gebruikt wordt.

Deze met meer dan 4% zuurheid, dient in de zeepziederijen en in de metaalindustrie, waar zij tot verscheidene doeleinden wordt aangewend.

De Verenigde Staten kopen 95 % van de uitgevoerde palmolie. Het gebruik van de palmolie in talrijke industrieën heeft deze teelt een grote uitbreiding doen nemen. Het aantal hectaren er aan besteed, de productiecijfers en deze van de uitvoer en hun waarde zijn er het beste bewijs van.

Opwekkende gewassen

Cacao

De cacaoboom is afkomstig uit Zuid-Amerika; zijn teelt heeft er vooral uitbreiding genomen in het stroomgebied van de Amazone en van de Orinoco, alsook op de westelijke hellingen van het Cordilleras de Ios Andes-gebergte. Hij werd ingevoerd in Columbia, Ecuador en Mexico, waar hij onder de naam « godenlikeur » bekend stond. Deze teelt werd eveneens in Afrika ingevoerd, nl. aan de Goudkust, die in de wereldopbrengst de eerste plaats heeft ingenomen. In Belgisch Congo werden rond het jaar 1900 de eerste cacaoplantages voor commerciële doeleinden aangelegd. De beste uitslagen werden geboekt in de gebieden rond de Evenaar en de Mayombe, waar het klimaat geen grote afwijkingen vertoont. Later breidden de plantages zich uit tot Neder-Congo, het district van Stanleystad en het gebied van de Uele. De cacaoplant is een boomsoort die schaduw nodig heeft, doch deze moet gematigd blijven; zij eist eveneens een hoge doch standvastige temperatuur. De wereldopbrengst van cacao neemt regelmatig toe; van 478.583 ton in 1930 klom zij tol 770.950 ton in 1950. De opbrengst van Belgisch Congo komt hierbij slechts in geringe mate in aanmerking; zij bedroeg inderdaad 1.846 ton in 1951, met als recordcijfer een productie van 2.200 ton in 1948. De opbrengst van Belgisch Congo volstaat niet eens om in de behoefte van de Belgische binnenlandse markt te voorzien.

De Koffie

De koffiebomen zijn afkomstig uit Midden- en tropisch Afrika. Naar het schijnt was het in Abyssinië en in Arabië dat men voor het eerst de koffie voor voedingsdoeleinden leerde gebruiken. De eigenlijke koffieteelt begon niet vóór de XVIIIe eeuw' het waren waarschijnlijk de Nederlanders die haar het eerst beoefenden en die koffiebonen uit Abyssinië in Java invoerden, Vele jaren later, en vooral nadat de hoedanigheid van de oorspronkelijke boon verbeterd werd, werd de koffieteelt in Midden- en Zuid-Amerika ingevoerd, waar zij spoedig een aanzienlijke uitbreiding nam.

Het is echter eerst in 1920 dat de koffieteelt, zich tot Belgisch Congo uitbreidde.

De Robusta-koffie vond ingang in het bekken van de Evenaar, terwijl de Arabica-koffie een ideale teeltbodem vond in de hooggelegen gebieden in het Oosten der Kolonie en vooral in Kivu.

Men mag aannemen dat de koffieteelt in deze gebieden de voornaamste cultuur is en dit ook zal blijven.

De koffieteelt heeft thans in Belgisch Congo een zulke uitbreiding genomen, dat de individuele uitvoer van koffie door kleine en gemiddelde planters, op voordelige wijze werd vervangen door de verkoop door bemiddeling van daartoe in het leven geroepen diensten : Dienst voor Robusto-koffie en Dienst voor Arabica-koffie, die de verkoop in " pool" van al de Congolese koffiesoorten verzekeren en hierdoor een controle op de hoedanigheid der uitgevoerde producten uitoefenen.

De opbrengst van groene koffie in Belgisch Congo was s 35.39 3ton . in 1951, nl. 6 % van de wereldopbrengst.

De Theeplant

De theeplant is afkomstig uit Oost-Azië, maar. haar aanpassingsvermogen is merkwaardig en ze wordt, op ver van elkaar gelegen plaatsen aangetroffen. Zij wordt met succes geteeld in zeer verschillende klimaatsomstandigheden. Het beste rendement wordt echter verkregen, evenzeer voor wat de kwaliteit als de kwantiteit betreft, in vochtige bergstreken, op een hoogte van 1.500 tot 2.200 meter, met een regenneerslag van 1.500 tot 2.000 mm., bij voorkeur gelijk verdeeld over gans het jaar.

De theeplant werd slechts weinige jaren geleden in Congo ingevoerd. De voorafgaande cultuurproeven op een industriële schaal hebben aangewezen dat ernstige uitbatingsmogelijkheden bestaan in de bergachtige streken van de Kivu, in het Oosten van onze kolonie. De theeplant is een groot struikgewas dat tot 5 à 6 meter hoog is.

Haar bladeren zijn klein en taai, Het zijn de jonge scheuten en meer in het bijzonder de bovenste, nauwelijks open bladeren die de meest, gezochte thee opleveren. Het gemiddeld rendement van een hectare is 500 kilogram thee.

De jaarlijkse wereldopbrengst bedraagt 840.000 ton. Ongeveer 500.000 ton worden uitgevoerd, waarvan 38 % uit Indië, 26 % uit Ceylon, 17 % uit Indonesië, 10 % uit China en en 4 % uit Japan, hetzij samen 94 % uit de Aziatische landen.

De Congolese voortbrengst wordt, bijna volledig opgeslorpt door de binnenlandse markt.

In de laatste jaren heeft Congo echter kleine hoeveelheden thee uitgevoerd, waarvan een deel een afzetgebied vond in België.

Textiel en vezelplanten

Een zeker aantal planten van de Congolese flora, in t' wild groeiende of ingevoerde, leveren vezels op, die in de textielnijverheid of in de touwslagerijen kunnen gebruikt worden. Sommigen zijn van zeer grote industriële waarden, worden op rationele wijze geteeld door Europeanen of ook door inlandse planters onder Europese leiding. Andere planten van mindere handelswaarde worden niet geteeld. Het zijn meestal min of meer: in "'t wild groeiende planten", die gemakkelijk op vroeger bebouwde en verwaarloosde velden gedijen. De inboorling oogst en bereidt ze doorgaans zelf voor eigen rekening.

De Kapokboom

Twee verschillende soorten kapokboom zijn in Belgisch Congo gekend. Een ervan groeit in 't wild en haar vrucht, heeft geen waarde. De andere is van Zuid-Amerikaanse oorsprong en levert. de witte kapok die in de handel is.

De kapokboom is soms 20 meter hoog. Indië en de Filippijnen zijn de twee voornaamste voortbrengers van kapok. In Belgisch Congo, waar praktisch geen grote plantages beslaan, treft men de kapokboom sporadisch aan evenals op min of meer belangrijke teelt stations. De inboorlingen oogsten het dons van de zaaddoos en verkopen de vezel na verscheidene bewerkingen. Zij worden eveneens gebruikt voor het vullen van kussens en matrassen; zij zijn ook geschikt voor het weven , verbanden en als geluidsisolerend middel. Kapok heeft ook een groot drijfvermogen'

De Sisalagave

Deze levenskrachtige plant is afkomstig uit Mexico en Wordt op grote schaal geteeld in in Indië, Indonesië, Oost-Afrika, Mozamhique en Madagaskar.

De met sisal bebouwde oppervlakte in Belgisch Congo bedraagt thans ongeveer duizend hectaren. sisalvezels worden in de touwslagerijen- gebruikt en om hun weerstandsvermogen worden zij hoe langer hoe meer gekozen voor het vervaardigen van scheepstouwen Bovendien worden zij eveneens gebruikt voor het maken van zeer sterke zakken en Paklinnen. De vezels worden ook soepel gemaakt en lenen zich dan tot hret vervaardigen van zeer schone tapijten. . Tenslotte nog, kan door een gisting en distillerend methode 250 Liters alcohol uit één ton pulp getrokken worden.

Urena en Lobata en Cephalomena-Punga

De teelt van de Urena Lobata is in Belgisch Congo uitsluitend in handen van de inboorlingen, maar de exportmaatschappijen geven de richtlijnen en leveren o.a. zaadsoorten die door de landbouwproefstations geselectioneerd worden. In de provincie Leopoldstad werden in 1951 ongeveer 18.000 hectaren aan deze teelt gewijd en ongeveer 3.300 hectaren in de Oost-Provincie. Wanneer de Urena Lobatavezel zorgvuldig bereid en verpakt wordt, kan zij in zekere mate de jutevezel uit Indië vervangen, en o.a. voor de confectie van weefsels en tapijten. Meestal wordt zij echter gebruikt in de touwslagerijenDe Cephalonema of Punga is een plant die in Belgisch Congo in 't wild groeit en niet dient geteeld te worden. Zij wordt op dezelfde manier bewerkt als de Urena Lobata, waaraan ze gelijkt wat het gebruik betreft, alhoewel ze van mindere kwaliteit is.

 

Katoen

Van bij het, begin van haar invoering in Belgisch Congo werd de katoenteelt beschouwd als een bedrijvigheid, die voor te behouden was aan de landelijke bevolking om haar een nieuwe bron van vaste inkomsten te verzekeren.

De aardplantkundige en bodemwetenschappelijke navorsingen, alsrnede een rationele nijverheidsuitrusting beoogden allen dit doel.

De katoenteelt is thans een der beste takken van de inheemse landbouw.

Het Nationaal Instituut voor Landbouwkundige Studie in Belgisch Congo (INEAC) zet de proefondervindelijke studie van deze inlandse teelt onvermoeibaar voort, ten einde haar opbrengst, te vermeerderen en soorten voort te brengen, die tegen katoenboomziekten en insecten gevrijwaard of bestand zijn.

Door twee verordeningen, waarvan de eerste op 1 Augustus 1921 werd uitgevaardigd en versterkt werd door een tweede op 18 Juni 1947, werden verscheidene maatregelen getroffen, die bestemd zijn om de hoofdbelangen van de voortbrengers te beschermen en om de industrialisering van het product te verzekeren. De productie- en uitvoerstatistieken stellen de uitbreiding van deze inheemse teelt duidelijk in het licht.

82 % van de katoen uit Belgisch Congo vond tot 1939 een afzetgebied in België; in 1950 daalde dit percentage tot 67,7 %. Er valt op te merken dat het plaatselijk verbruik van jaar tot jaar toeneemt, dank zij de uitbreiding van verscheidene Congolese textielindustrieën. De katoenmaatschappijen hebben een " verkoopspool" gevormd voor het verdedigen van hun belangen op de wereldmarkt.

Deze "pool" wordt bestuurd door de "Compagnie Cotonnière Congolaise"

 

 

 

SiteLock
share this - partager le site - deel dit document

About Us | Contact | Privacy | Copyright |  
Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur. Delcol Martine