www.congo-1960.be

Network: | groep facebook congo-1960 | sponsors congo-1960 | Agenda | contact |
Getuigenissen bezoekers | Getuigenissen 1985 | Wedstrijd teksten | Mijn verhaal | 1964 Stanleyville | Kolwezi 1978 | Oral History | Reizen in Congo
Intro Cultuur | Organisatie reizen | Tentoonstellingen | Recepten | Filmen | Muziek | Goed doel info
Wedstrijd 2012 | Reglement | Deelnemers wedstrijd 2012
Intro Documenten | Thesis Jean Schramme
Boeken auteur's die leefde tijdens de colonie | Catalogus Black Label | Nieuwe boeken | Boeken over de colonie | Boeken auteurs die leefden na de colonie | En nog veel meer
Leopoldville | Kasai | Kivu | Ruanda Urundi | Katanga | Equateur | Orientale |
U heeft geschreven |
Nieuwsbrieven
Foto's - Video |
Bedrijven |
Flash diverse berichten | Opzoekingen | Materiaal voor Congo| Statistieken van congo-1960 | ONG | Interessante linken | Histoire amusante | Persinfo
Stuur je getuigenis of foto's naar congo-1960.be en win een boek.

KBUOL
Koninklijke Belgische Unie voor Overzeese Landen
Stassartstraat, 20-22
1050 Brussel

http://www.urome.be/

De Congolese weddenschap


De persoonlijke herinneringen van André de Maere d’Aertrycke,
voormalig Gewestbeheerder van Beni (Noord-Kivu)

 Enkele foto's uit het album van De Heer de Maere d’Aertrycke

Tekstvak:

De tien laatste jaren van het bestaan van Belgisch- Congo heb ik ter plaatse beleefd, in de brousse, met mijn gezin, als gewestbeheerder. Het is dus door die bril, als man van het terrein, als “broussard” dat ik hier mijn herinneringen wil weergeven. In het gebied waar ik mijn functie uitoefende was ik inderdaad goed geplaatst om van bij de eerste verschijnselen en van dag tot dag de evolutie van de geesten te volgen die er onverbiddelijk zou toe leiden dat er een einde kwam aan het “sociaal pact” dat ons met de plaatselijke bevolking verenigde.

De tijd van conferenties, plannen, manifesten en verklaringen allerhande…


Professor Jef Van Bilsen, die doceerde aan het UNIVOG te Antwerpen en ondermeer wou ingaan tegen de kritiek van de UNO,  publiceerde in 1955 zijn beroemd “Dertigjarenplan” waarin voor het eerst sprake was van een geleidelijke overgang van Congo naar de onafhankelijkheid. Dit voorstel verwekte een storm van reacties vanwege verontwaardigde kolonialen, die dit plan als ongerijmd, zo al niet als subversief van de hand wezen !
Ik moet bekennen dat ikzelf, vanuit mijn brousse-gewest, waar ik maar al te goed zag wat er nog te doen stond vooraleer wij onze opdracht als voltooid zouden kunnen zien, er niet veel begrip voor kon opbrengen. Wel was ik ervan bewust dat de kaders van onze administratie dringend moesten worden geafrikaniseerd.


Rond die tijd was er ook een groep “geëvolueerden” rond de priester en latere kardinaal Malula die het manifest van “Conscience africaine” lanceerde. Dat manifest ondersteunde niet enkel het Dertigjarenplan maar vroeg ook aan de kolonialen van goede wil om erbij aan te sluiten en eiste inspraak van de Congolezen bij de verwezenlijking ervan.

Met de “Conferentie van Bandoeng” deed de Derde Wereld haar intrede op de internationale scène. Zij veroordeelde de kolonisatie en het imperialisme, het apartheidsregime in Zuid-Afrika en ook Frankrijk, dat de voornaamste koloniale mogendheid was in westelijk Afrika.  Vooral ook riep zij de nog gekoloniseerde landen op om krachtig te strijden voor onafhankelijkheid, zij het ook dat dit liefst op vredelievende wijze en door onderhandelingen moest gebeuren.

Ook in Congo verspreidde de onafhankelijk-heidsgedachte zich snel, eerst in de grote steden, daarna in de arbeiderscités van de grote maatschappijen en weldra ook in de landelijke gewest-hoofdplaatsen, waar de informatie langs de radio begon door te dringen.

Weldra kreeg de onafhankelijkheidsgedachte van “Conscience africaine” steun uit een onverwachte hoek, die echter bepalend zou worden voor de toekomst van deze instelling, die anders wellicht in de chaos van die tijd ten onder zou zijn gegaan, we bedoelen de Katholieke Kerk van Congo.
Inderdaad publiceerden de Apostolische Vicarissen van Belgisch Congo en Ruanda-Urundi op 1 juli 1956 een “bisschoppelijke verklaring” waarin zij afstand namen van de koloniale staat waarmee zij tot dan nauw hadden samengewerkt.

Die nieuwe houding zou al gauw merkbaar worden op het terrein, waar de missionarissen zich meer gereserveerd toonden tegenover de ambtenaren in overheidsdienst.

Maison à Beni en 1957,1958,1959In Beni, waar de missionarissen tot dan toe hun mensen aanmoedigden om naar de zondagsmis te gaan, “waar ze de ‘A.T.’ zouden zien”, namen ze een andere houding aan, nog wel hartelijk maar toch wat meer afstandelijk.
Daarmee kwam er ook een einde aan het inroepen van de “seculaire arm” om echtscheidingen tussen katholieken te dwarsbomen, waarbij de rechtspraak van de gewoonterechtelijke rechtbanken te hulp werd geroepen, waarvan werd voorgestaan dat zij de regel van het kerkelijk recht hadden aangenomen.
De koninklijke boodschap  die op 13 januari 1959 door de radio werd uitgezonden, waarin de vorst “motu proprio” sprak, was meer dan duidelijk : ”Het is ons besluit de Congolese volkeren zonder noodlottig getreuzel maar zonder onberaden overhaasting naar de onafhankelijkheid te leiden in welvaart en vrede”.  De Congolese politici hadden die boodschap niet verkeerd begrepen !

In Beni, waar ik het hoofd van het gewest was, vonden de geëvolueerden elkaar gewoonlijk na de zondagsmis terug in de “Cercle Baudouin Ier”. Ze nodigden mij daar dikwijls bij uit en we praatten er heel vrijmoedig en zonder voorbehoud over de toekomst van het land.
Ze spraken er over de grote verwachtingen die deze evolutie bij hen opwekte maar ook over hun vrees  om te worden overgeleverd aan de willekeur van nieuwe leiders, die vreemd zouden zijn aan hun eigen ethnie. Ze waren er vooral voor beducht dat zij niet meer zo rechtvaardig en onpartijdig  behandeld zouden worden zoals zij dat van ons gewoon waren.Chez les soeurs de Foucauld à Mbau

In dezelfde geest kwamen diezelfde onderwerpen ter sprake met de gewoonterechtelijke overheden, dit tijdens de vergaderingen die ik belegde met de notabelen tijdens mijn rondreizen in de brousse. Allen zegden ze ons toen nog hoezeer ze op prijs stelden wat wij op zo korte tijd in hun land gerealiseerd hadden en drongen aan opdat we onze taak samen met hen zouden voortzetten, want er bleef nog zoveel te doen en ze gaven er zich rekenschap van hoe slecht ze daarop nog voorbereid waren.


 De evolutie die zoveel verwachtingen opgewekt had bij mijn “geëvolueerde” vrienden in Beni kwam in een stroomversnelling in het jaar 1958 en bereikte een topsnelheid vanaf januari 1959 om tenslotte volledig te ontsporen in 1960, nauwelijks enkele dagen na de onafhankelijkheidsverklaring.
De eerste volksraadplegingen in de hoofdijen, de sectoren (d.w.z. gegroepeerde hoofdijen) en de buitengewoonterechtelijke centra dateren van 1958,  met als doel raadsleden toe te voegen aan de gevestigde inlandse hoofden.
Zo reisde ik te dien einde naar de kleine hoofdij van de Watalinga. Ik bracht er heel de bevolking met de notabelen samen om hun uit te leggen waar het om te doen was. Toen ze eindelijk begrepen hadden dat het de bedoeling was drie raadsleden te verkiezen om hun chef Saambili bij te staan, antwoordden ze in koor dat het overbodig was daartoe een stemming te organiseren, want dat enkel X, Y en Z daarvoor in aanmerking kwamen. Die drie stapten trouwens prompt naar voren en kwamen voor mij staan.

Ik legde hun geduldig uit dat de Belgen in België dat niet zo begrepen hadden en dat ze hun de eerste begrippen van democratie wilden bijbrengen.  Ze vonden dat amusant en om hun goede wil te tonen leenden ze zich goedschiks tot dit experiment.  Ik deed dus een oproep tot de kandidaten, waarbij enkel de drie kornuiten in kwestie zich aanmeldden.  Een stembureau werd ingericht in de gîte d’étape waar ik verbleef. Daar werden drie stembussen geplaatst met elk zijn embleem.  De kiezers gingen wijselijk in de rij staan en vervulden hun stemplicht door hun stembrief in de bussen te steken.  Hoe zij het klaargespeeld hebben weet ik niet, maar bij de telling had elke kandidaat precies evenveel stemmen, wat wellicht bedoeld was om elke ongewenste hiërarchie te vermijden. Daarop werden ze onder het gejuich van heel de bevolking verkozen verklaard en mijn nieuwe democraten vierden deze heuglijke gebeurtenis tot laat in de nacht met zang en dans.

De volgende verkiezingen, dat was dan voor de gewestraden, verliepen nog in een sereen klimaat, alhoewel de vertegenwoordigers van de intussen opgerichte politieke partijen de kiezers probeerden te intimideren.  Dat was buiten de gewest-ambtenaren gerekend want de administratie was nog verantwoordelijk voor het goede verloop en waakte erover dat alles volgens de regel verliep.
Met de provincieraads- en parlementsverkiezingen, die inderhaast begin 1960 werden georganiseerd, ging het er helemaal anders aan toe. De politieke partijen hadden van de Belgische overheden verkregen dat de gewestdiensten zich nog enkel met de materiële organisatie van de verkiezingen zouden inlaten zonder inspraak in het verloop zelf.  Zo is te verklaren dat in mijn gewest Beni 150 % van de kiezers een stem uitbrachten !  De afgevaardigden van de MNC-Lumumba hadden de bureaus immers gedwongen pakken biljetten onder hun aanhangers uit te delen.  Dat heeft de media toch niet belet fier te verkondigen dat de verkiezingen democratisch verlopen waren !


De tijd om die verkiezingen voor te bereiden was zodanig kort geweest dat de stembrieven per vliegtuig in kisten gedropt moesten worden, waarvoor ik een plek in het woud had laten vrijmaken.  Een opgewonden menigte was op weg getogen om zich van die kisten meester te maken want het gerucht had zich verspreid dat “de onafhankelijkheid” in die kisten zat.  Ik moest zelfs de Weermacht erbij halen om die menigte in bedwang te houden en die kisten in mijn bezit te krijgen. Ik liet ze dan ook dadelijk openmaken om de inhoud te tonen, waarop de teleurgestelde massa kalm afdroop.
Dat was niet het enige gekke gerucht dat zich bliksemsnel verspreidde. Sommige waren lachwekkend, zoals dat volgens welk alle doden op de vooravond van 30 juni zouden herrijzen; daarom moesten mooie kleren voor hen klaargelegd worden om het feest waardig te vieren. In een oogwenk verkochten de Griekse handelaars alle stoffen en kleren die ze in hun bezit hadden en de kleermakers waren bedolven onder de bestellingen.


Andere waren minder onschuldig, zoals de lijst van de Europese vrouwen die ambtshalve werden toegewezen aan al degenen die zich verdienstelijk hadden gemaakt in de strijd voor de onafhankelijkheid. Tijdens het dagelijks “rapport” verscheen zelfs een kwidam in mijn kantoor die zich kwam beklagen dat hij een slecht nummer getrokken had : de vrouw die hem toegewezen was, vond hij te oud ! Al die geruchten hadden een punt gemeen : na de onafhankelijkheid zou alles anders zijn. Alle verbodsbepalingen zouden vervallen, alles zou gratis zijn, niets zou nog door de Staat worden opgelegd, geen verplichte culturen meer, geen belastingen meer, geen verplichtingen jegens de chefs, geen hygiënische verplichtingen meer. De goederen van de blanken zouden aan de zwarten worden uitgedeeld, enz. enz.

De opstand in Leopoldstad in januari 1959 vond overal in Congo een enorme weerklank en bracht een zware klap toe aan wat er nog overbleef van het klimaat van vertrouwen dat zo lang de betrekkingen tussen kolonisatoren en gekoloniseerden gekenmerkt had.  Ook in mijn gewest werd ik die evolutie gewaar, zij het veel minder sterk dan in de steden en de grote arbeiderscités.
Het was ook een beslissend keerpunt in de opmars naar onafhankelijkheid. De Belgische politici wilden in geen geval in een koloniale oorlog worden meegesleept en wilden dus zo snel mogelijk naar de onafhankelijkheid toe.

Het feest zou nauwelijks een week duren…

De feestelijkheden ter gelegenheid van de onafhankelijkheid te Leopoldstad werden gekenmerkt door een op zich banaal incident, dat echter veel betekenis had voor de zwarten en ook door twee ongelukkige toespraken.
Eerst het incident : terwijl de koning rechtstaand in een open witte Cadillac de stad binnenrijdt, wordt hem zijn degen ontfutseld door een toeschouwer die hem triomfantelijk in de hoogte steekt als een trofee. Wat een kaakslag voor de “Grote Blanke Chef” !
Dan de redevoeringen. Die van de koning droeg nog te veel de stempel van het paternalisme waar de Congolese leiders niet meer van wilden weten en zijn raadgevingen van goed bestuur werden slecht onthaald.  Vooral door Lumumba die zich liet gaan in een hatelijke en revanchistische speech die er al snel toe bij zou dragen om het vuur aan de lont te steken. De koning verbleekte en stond op het punt om dadelijk de plechtigheid te verlaten.
Men kon hem overtuigen om dat niet te doen en Lumumba aanvaardde om tijdens het officieel banket de belediging uit te wissen door een toespraak waarin hij hulde bracht aan het beschavingswerk van België. Die toespraak kende natuurlijk niet zoveel weerklank.

Ook in Beni werden toespraken uitgewisseld tijdens het feest dat volgde op het hijsen van de nieuwe Congolese vlag.  Mijn eigen tekst heb ik niet meer maar ik bezit nog wel die welke werd uitgesproken door de voorzitter van de “Cercle Baudouin Ier”.  Na de wensen van geluk en voorspoed aan de nieuwe Staat en zijn President volgde een gloeiend huldebetoon, dat geen twijfel overliet over de gevoelens die de bevolking toen nog voor ons overhad : “Leve de koningen der Belgen die met zoveel moed onze Congo onder hun hoede hebben genomen. Leve de Belgen die ondanks zoveel moeilijkheden hebben volgehouden om Congo tot rijpheid te brengen. Leve de missionarissen die naast hun evangelisatiewerk een krachtige bijdrage geleverd hebben tot de intellectuele, morele en fysische vorming van de Congolezen.”

Le bureau du gouvernement provincial à Costermanville (Bukavu)De eerste troebelen kwamen uit een richting vanwaar men ze het minst verwacht had : vanwege die fiere Weermacht die zo goed haar taak vervuld had en loyaal stand had gehouden tijdens de bewogen periode die de onafhankelijkheid vooraf was gegaan,…maar waarvan alle officieren blank waren.
Die voorbeeldige militairen werden opeens gewaar dat zij het kind van de rekening gingen worden toen ze vernamen dat hun opperbevelhebber, Generaal Janssens, tijdens een informatievergadering op het bord geschreven had : “Na de onafhankelijkheid = Voor de onafhankelijkheid”, waarmee hij duidelijk wou maken dat ze niet moesten rekenen op de schitterende promoties die gewone klerken van de Posterijen (zoals Lumumba) ten deel waren gevallen of de klerken van particuliere bedrijven die zichzelf tot politici geproclameerd hadden, precies zij dan nog die aan de militairen zoveel last hadden berokkend.
Dat was de vonk die het vuur in de pan deed slaan. De muiterij sloeg snel van het ene naar het andere garnizoen over. Men mag hierbij niet vergeten dat de eerste uitbarsting van woede tegen eerste minister Lumumba zelf gericht was en dat zijn bureau kort en klein geslagen  zou zijn geweest zonder het energieke optreden van een aantal Belgische officieren die de manifestanten uiteen konden drijven.
Het was pas daarna dat de militairen zich tegen hun officieren keerden, die ze ervan beschuldigden de verdediging op te nemen van de nieuwe leiders van de onafhankelijke Staat.

Niets van dat alles in Beni, waar mijn militairen aanvankelijk tuchtvol en rustig bleven, tot adjudant-chef Demeyer mij op een dag toch kwam verwittigen dat zijn manschappen  zenuwachtig geworden waren. Ze hadden vernomen dat er in Goma muiterij was uitgebarsten als reactie op een “ontradingspromenade” doorheen de stad, die het korps van Europese  vrijwilligers had gemeend op touw te moeten zetten om hun macht te tonen.

Om de crisis af te wenden waagde ik daarop een bluf-operatie : ik riep de gegradueerden samen naar mijn huis voor een belangrijke mededeling.  Op het terras had ik de dienstwapens neergelegd die mijn adjuncten en ikzelf ter beschikking hadden.  Ik hield de militairen voor dat wij die wapens niet echt nodig hadden daar wij op hen konden rekenen om de orde te handhaven en ons zo nodig te beschermen. Ik zei voorts dat ze van ons niets te vrezen hadden en dat onze wapens beter beveiligd zouden zijn in hun arsenaal. Ze waren daarmee verrast en gerustgesteld en gingen in houding staan. Ze groetten ons en namen de wapens mee.

Nadat ik op 30 juni het gewest in de handen had gegeven van mijn Congolese opvolger, was ik op zijn uitdrukkelijke vraag zijn adviseur geworden. We namen de gewoonte aan samen te zitten in het kantoor dat het zijne geworden was. Dat bood het voordeel dat enige continuïteit in het bestuur van het gewest verzekerd werd en ook dat ik gemakkelijker mijn ervaring aan mijn opvolger kon overbrengen die pas uit een hogere school voor bestuurskunde kwam maar nog weinig begrip had voor de concrete problemen waarmee hij af te rekenen zou krijgen.

Dat bleef zo tot muiters uit Stanleystad het gebouw binnenvielen en me bevel gaven diezelfde avond nog het land te verlaten, samen met alle nog aanwezige blanke ambtenaren en ook adjudant-chef Demeyer. Ons voltallig gendarmerie-peloton begeleidde ons tot aan de grenspost van Kasindi waar zij ons de militaire eer bewezen tijdens een met emotie geladen parade. Er was ook nog een tweede escorte : dat waren de muiters die ons het land uitgezet hadden en de afscheidsceremonie met verwonderde blikken aanschouwden, misschien ook al met een vleugje nostalgie.

Drie weken later was ik echter alweer in Congo, maar dat was dan als dienstwillig magistraat in Katanga, dat zich intussen onafhankelijk had verklaard.  Maar dat is een ander verhaal…
                                                                                             
               
André de Maere d’Aertrycke
Ere-Gewestadministrateur

Voorzitter KBUOL/UROME

André de Maere en “les chefs coutumiers"

About Us | Site Map | Privacy Policy | Contact Us | ©2001-2012 Congo-1960